Europese geschiedenis.

Het tegenwoordige Europa is een samenleving die ontstond uit de erfenis van de klassieke oudheid en die zich losmaakte van de twee andere erfgenamen van Rome, Byzantium en de Islam. Het nieuw Europa ontstond in de vijftiende eeuw. Zijn ontstaan betekende het einde van de christelijke of paapse middeleeuwen.

In de vijftiende eeuw verviel het laatste bolwerk[1] van het Byzantijnse keizerrijk aan de Turken en leek het erop dat de vraag diende te worden beslist of de oude wereld rond de Middellandse Zee Turks zou worden of paaps. Ruim een eeuw lang bleef het antwoord op die vraag onzeker en toen het kwam was het verrassend. De Middellandse Zee hield op het middelpunt van de beschaving te zijn. Dat centrum verplaatste zich naar de Noordzee en de Atlantische kust en het werd niet Turks en niet paaps, maar protestants. En ook protestants bleef het niet lang. Na weer een eeuw had de contrareformatie ook het rooms-katholieke gedeelte van Europa ferm op de weg van een nieuwe beschaving geplaatst. In de achttiende eeuw kwam na de verlichting en de Franse revolutie de moderne gehumaniseerde wereld definitief de plaats innemen van de protestantse en katholieke varianten van het oude christendom. Europa was weer één, maar het was niet langer christelijk, het was nu christelijk humanistisch.

Het moderne Europa beheerste vanaf de zeventiende eeuw de wereld, maar zelf viel het uiteen in nationale staten die elkaar tot in de twintigste eeuw in een reeks van oorlogen bestreden. Na de tweede wereldoorlog verloor Europa de hegemonie in de wereld en kwamen haar leiders overeen door een programma van federalisering de oude eenheid te herstellen en verdere oorlogen te voorkomen.

De federalisering van Europa, zoals die op het programma stond van de EU, heeft geen historische precedent. Er zijn geen voorbeelden van politieke eenheden die op basis van vrijwilligheid zijn ontstaan[2]. De Attische Zeebond was een door Athene afgedwongen bondgenootschap die na de Peloponnesische oorlog weer uiteen viel. De Duitse Rijnbond hield geen stand tegenover Pruisen.
De Europese vrijheidsgedachte heeft er voor gezorgd dat pogingen om met geweld een eenheid tot stand te brengen nooit zijn gelukt[3]. Twee maal is de laatste twee eeuwen geprobeerd een Europese eenheid of federatie met geweld tot stand te brengen, eenmaal door Frankrijk onder zijn revolutionaire leiders en onder keizer Napoleon en eenmaal in de eerste en de tweede wereldoorlog[4] door het Duitsland van de keizer en door Hitler.
Met geweld is het niet gelukt en zonder geweld heeft in het verleden niemand zijn eigenheid prijs willen geven. In elk Europees land ligt de verantwoordelijkheid voor essentiële voorzieningen van de bevolking in handen van een eigen overheid. Zowel de bevolking als de overheid is niet bereid daarmee risico’s te lopen.
Buiten de kring van politici en van de internationale journalisten en ambtenaren blijkt dat de belangstelling voor de Europese zaak bij het Europese publiek in het algemeen gering is. Pas als de eigenheid van ieder land dreigt te worden aangetast komt de bevolking in beweging.

Een natie of een samenleving bestaat uit mensen die voor hun voortbestaan van elkaar afhankelijk zijn[5]. In wezen is daarom de hele wereld op het ogenblik één grote samenleving, maar hierin bestaan toch gradaties. Met sommige landen hebben wij een vorm van samenwerking die zo nauw is dat wij daadwerkelijk bijna één samenleving met hen vormen, met andere zijn de banden praktisch afwezig. Als met een ver land als Indonesië alle contacten zouden worden verbroken, dan zou men in alle opzichten in Nederland gewoon door kunnen leven. Er zou maar een beperkt aantal mensen zijn dat onmiddellijk zou zijn getroffen. Het totale effect zou minder zijn dan dat van de vuurwerkramp in Enschede. Een emotionele schok misschien voor sommigen, maar het dagelijkse leven zou er maar in heel beperkte mate door worden beïnvloed. Misschien dat een meerderheid van Nederlanders het intussen prima vindt om de banden te verbreken met een land waar iemand twee jaar de gevangenis in gaat omdat hij de voorkeur geeft aan het christendom boven de islam.
Zouden aan de andere kant de contacten met Duitsland worden verbroken, dan zouden de gevolgen daarvan enorm zijn, zowel voor de economie als voor veel mensen persoonlijk. Toch zou Nederland, omdat we het geluk hebben aan zee te liggen en er nog een ander buurland is, zo’n ramp waarschijnlijk wel overleven. Dat komt omdat niet alle, maar toch praktisch alle voor het leven benodigde voorzieningen op nationale schaal zijn georganiseerd. Onze energievoorziening[5], de communicatiemiddelen, zoals post, televisie, telefoon en kranten, het transport, de voedselvoorziening, het komt voor een belangrijk deel wel uit het buitenland, maar het wordt toch allemaal op Nederlandse schaal gedistribueerd. Ten dele gebeurt dat door de overheid maar voor het grootste deel door de Nederlandse markt[6]. Onze contacten met andere landen zijn heel uitgebreid, maar lopen meestal via een beperkt aantal centrale punten, van waaruit de verdere distributie binnen Nederland plaats vindt. Dat betekent dat wanneer voor een dienst of product de relatie met een ander land weg valt er altijd wel een of meer landen te vinden zijn die haar plaats kunnen innemen. Niet gemakkelijk en soms met grote economische schade, maar het kan[7]. Zou de Nederlandse samenleving zelf ophouden te functioneren, dan zouden de meeste inwoners van Nederland meteen moeten emigreren of ze zouden het daadwerkelijk niet overleven. In wezen betekent dit, dat voor alle belangrijke sociale en economische functies Nederland en de andere Europese landen aparte nationale samenlevingen zijn blijven vormen[8], want wat voor Nederland geldt, dat meer dan de meeste andere Europese landen van het buitenland afhankelijk is, geldt ook voor de rest.

In de Verenigde Staten is dat anders, omdat de samenleving daar ginder grotendeels op federaal niveau en niet op het niveau van de deelstaten is georganiseerd[9]. Zouden Washington, New York, Chicago en Los Angeles door een terroristische aanval worden uitgeschakeld, dan zou de rest van de VS grote moeite hebben om te overleven, zozeer is in Amerika alles van elkaar afhankelijk. Het land zou zeker niet zo gemakkelijk verder functioneren als de veel kleinere Europese landen dat zouden kunnen, wanneer grote steden als Brussel, Londen, Parijs en Berlijn zouden worden plat gebombardeerd. Amerika is één land en één natie en Europa is dat niet. Dat maakt Amerika kwetsbaarder maar ook welvarender, want zoals Adam Smith ooit zei en op dat punt is hij nooit door iemand tegengesproken:
“the greatest improvement in the productive powers of labour and the greater part of the skill, dexterity, and judgment with which it is anywhere directed, or applied, seem to have been the effects of the division of labour.”[10]

Hoe groter de groep mensen (de natie) waartussen productie en consumptie op een rationele manier is verdeeld, hoe groter ceteris paribus de welvaart zal blijken te zijn. Ook een beperktere samenwerking tussen naties kan de gezamenlijke welvaart verhogen. Dat bewijst de EU en hebben soortgelijke confederaties zoals bijvoorbeeld de Duitse Rijnbond ook vroeger al bewezen. Maar samenwerking en integratie binnen een enkele natie, zoals die in Amerika heeft plaats gevonden, heeft een groter welvaartsbevorderende effect Het was daarom wel begrijpelijk dat men ook in Europa naar een zelfde eenheid heeft gestreefd, maar kan dat ook?
Betekent het Amerikaanse voorbeeld dat wij de bestaande losse confederatie van de EU zo spoedig mogelijk moeten omzetten in een Europese Federatie met een federaal centraal gezag? De nieuwe Europese grondwet aan het begin van deze eeuw was bedoeld als een stap in die richting en haar aanvaarding door de lidstaten zou daarom zeker van groot belang zijn geweest.

Maar ik denk niet dat het kan en dat er om die reden ook geen sprake geweest is van een gemiste kans. Er bestaat niet zoiets als een op Europese leest geschoeide samenleving en het is ook niet iets dat zich gemakkelijk laat vormen. Dat heeft de geschiedenis van de Eeg/Eg/Eu intussen voldoende bewezen. Voor zover wij in Europa internationale samenlevingselementen hebben, delen we die met andere Westerse landen die niet tot de Unie behoren en die ook niet op de lijst staan om toe te treden. Het internet is wereldwijd, de grote persbureaus en de internationale TV zenders als CNN en BBC zijn Angelsaksisch of wereldwijd. Mode, muziek, film en TV formats zijn algemeen westers en het bedrijfsleven is alleen bij uitzondering specifiek Europees georganiseerd. Er is een auto industrie, die mede afhankelijk[12] is van de export naar Amerika en het Verre Oosten en op de Wereldluchtvaartmarkt opereert een Europese vliegtuigindustrie naast de Amerikaanse. Er is geen Europese kledingindustrie en er zijn geen Europese eetgewoonten. Zelfs de winkelformules van de supermarkten zijn in Europa van land tot land verschillend.
Tussen de meeste Amerikaanse staten bestaat in sociaal opzicht minder verschil dan tussen provincies in veel Europese landen[13], laat staan tussen de diverse landen die deel uitmaken van de EU.

De EU heeft haar doel om een nieuwe Europese oorlog ondenkbaar te maken voorlopig bereikt en in zoverre is zij een succes. De Europese politieke en maatschappelijke eenwording aan de andere kant is geen succes. Dat het verwerpen van de grondwet betekent dat er geen vernieuwde grote Europese invloed in de wereld zal komen is wel juist, maar op die Europese invloed, in feite de invloed van een aantal Duitse en Franse politici, zit verder ook niemand te wachten[14]. Als dat ooit anders wordt en het leven van de mensen in Europa afhankelijk wordt van verdere integratie, dan zien wel weer verder. Nu kunnen we beter nadenken over de vraag hoe we de nadelen van Europese bureaucratisering[15] zo goed mogelijk kunnen voorkomen en de Europese samenwerking zo efficiënt mogelijk kunnen organiseren.
Met die samenwerking gaat het op essentiële terreinen de laatste tijd niet goed. Niet alleen landen met een notoir gebrek aan monetaire discipline als Italië en Griekenland houden zich niet aan de regels van het monetaire pact, zelfs Duitsland heeft ooit monetaire verdragsbreuk gepleegd. Het is te hopen dat het om incidentele overtredingen blijkt te gaan, want we kunnen geen gemeenschappelijke munt behouden zonder een gemeenschappelijk economisch beleid[16]. Een gemeenschappelijk economisch beleid is moeilijk te verwezenlijken zolang de nationale regeringen aan de eigen bevolking verantwoording schuldig zijn voor de economische gang van zaken en niet aan Europa. Een volgende mislukking à la Griekenland kunnen we ons niet permitteren. Dat geldt ook voor andere aspecten van een mislukte integratie. Het is geen vrijblijvend experiment. Als het niet lukt zijn we verder van huis dan wanneer we er niet aan waren begonnen. Als daarom de stelling juist is dat Europese politieke en nationale eenheid onbereikbaar is, dan is er een groot belang mee gemoeid een vorm van samenwerking te vinden die wel bereikbaar is en om die voortaan als doelstelling te nemen.

Een federale overheid op de schaal waarop Amerika of Rusland die kent besteedt een buitenproportioneel gedeelte van haar geld en energie aan het in stand houden van zich zelf. De controle op de lagere overheden is een voorwaarde voor het bewaren van de eenheid, maar die belemmert wel het functioneren van de lagere overheden. De controle slokt een groot deel van de beschikbare resources op. Dat gaat ten koste van de middelen die beschikbaar zijn voor de probleemoplossingen die de bevolking van haar overheid vraagt. De weg van de burger naar zijn (relevante) overheid wordt langer en aan het publieke discours wordt door een afnemend percentage burgers deelgenomen. Het democratische gehalte van een federale EU is daarom noodzakelijk lager dan dat van de lidstaten zelf. Dat zijn de nadelen.

Een voordeel is dat samenwerking niet per probleem hoeft te worden georganiseerd, maar dat de politieke leiding van de Unie de gemeenschappelijke problemen aan kan pakken op grond van eigen constitutionele bevoegdheden. Dat het bestaan van een federale staat verder economische voordelen heeft boven een confederatie is onmiskenbaar.
Hoe groot de nadelen zijn weten we uit de geschiedenis. De meeste grote rijken uit het verleden zijn aan hun eigen onbestuurbaarheid ten gronde gegaan en dat vaak binnen een of twee generaties na hun ontstaan[17]. Als probleemoplossing de belangrijkste raison d’être is voor de Unie, zou een alternatief voor federatie kunnen worden onderzocht. Een verlegging van de samenwerkingsvorm van een politieke unie naar specifieke projecten, met ieder hun eigen vorm van organisatie en met eigen regels, zou het proberen waard zijn.
Het is te verwachten dat aparte organisaties, voor elk Europees probleem één, een extra hoeveelheid juristerij zal meebrengen, maar die moet aan de ander kant niet worden overdreven. Het is goed mogelijk om met een raamverdrag te werken waaraan de oprichting van elke nieuwe Europese organisatie op een simpele manier kan worden gekoppeld. Instituten als het Europese Hof van Justitie, de Rekenkamer en een Europese Trésor zouden voor alle Europese instellingen dienen. Ook een centraal orgaan voor facilitaire diensten lijkt onder alle omstandigheden nuttig. Maar Europese organen die uitsluitend zijn gericht op het nemen van besluiten die in feite toch elders worden genomen, zouden moeten verdwijnen. Dat geldt dan in de eerste plaats voor het Europese Parlement, maar ook voor de Commissie, in zoverre als dat orgaan meer zou ambiëren dan een faciliterende rol.

Hoe dol een mens ook kan worden van de gang van zaken bij Europese topontmoetingen en hoezeer de daar genomen besluiten vaak helderheid en kwaliteit ontberen, een feit blijft dat het de vergaderingen van regeringsleiders zijn waarop alle vooruitgang wordt geboekt. Die regeringsleiders hebben de macht om besluiten te nemen. Zij beseffen wat het kost om de samenwerking te verbreken.
Een hervormde samenwerking, waarbij alleen nog plaats is voor de gebieden waar men problemen gemeenschappelijk heeft en anders niet, zal hetzelfde systeem van druk en overreding nodig hebben. Effectieve pressie zou kunnen uitgaan van een Trésor, die het geld voor de probleemoplossingen ter beschikking stelt. De Europese inkomsten, die hoofdzakelijk bestaan uit heffingen aan de gemeenschappelijke buitengrens, zouden om die reden moeten worden gehandhaafd. Wie niet meedoet aan de besluitvorming van problemen die hem raken of wie de gezamenlijkheid saboteert, zou niet voor financiering in aanmerking moeten komen, terwijl het Europese Hof zou kunnen arbitreren bij voorkomende geschillen.
Het voordeel van een specifieke probleemgerichte aanpak zou zijn dat men daarbij uitsluitend te maken krijgt met problemen die daadwerkelijk door alle deelnemers als zodanig worden ervaren. Een ander voordeel zou zijn dat men maar zelden met zevenentwintig partijen aan tafel zou hoeven te zitten en dat is een groot voordeel.
Het is duidelijk dat het bestaande systeem, dat goed werkte bij de zes, dat bij de twaalf al begon om iedereen tot wanhoop te drijven nu bij de achtentwintig niet langer hanteerbaar is. We moeten wel anders het kan zo niet doorgaan.

Er zijn twee onderwerpen die in de grondwet discussies van de EU ten onrechte door elkaar werden gehaald. Een is de efficiency van het Brusselse bestuursapparaat, de ander zijn de bevoegdheden van de politieke organen in Brussel en elders.
Het is aannemelijk dat er weinig zal gebeuren zolang een ministerraad van de achtentwintig in Europa de centrale machtspositie blijft behouden en op belangrijke terreinen iedere minister een vetorecht heeft. Ook het voorzitterschap dat ieder half jaar blijft rouleren bevordert geen efficiency. Een commissie waarin iedere lidstaat een portefeuille moet hebben is te groot en daarom niet efficiënt.
Er is bovendien weinig voor te zeggen om grote bevoegdheden neer te leggen bij een organisatie die in de ogen van de Europese bevolking geen legitimiteit[18] bezit. De functie van de Commissie of de Raad is op dit moment aan niet veel mensen duidelijk. De richting waarin de functies zich gaan ontwikkelen is niet te overzien.
De economische integratie heeft heel gemengde en niet altijd de verwachte resultaten gehad.
Men dacht na de oorlog dat de markten voor kolen en staal de belangrijkste zouden zijn voor de oorlogspreventie en heeft die toen apart geregeld in de Kolen en Staal Gemeenschap, die later in de Unie is opgegaan. Die kolen en staal integratie is mislukt; voor deze producten zijn in de grote landen grotendeels nationale markten blijven bestaan voor zover ze geen onderdeel werden van een wereldmarkt. De kleine landen waren voordien al van de internationale handel afhankelijk. Gelukkig voor het Europese integratie is de relatieve importantie van kolen en staal sterk afgenomen. In het algemeen zijn het de nieuwe industrieën waar van een gemeenschappelijke markt sprake is. Slecht geïntegreerd zijn vreemd genoeg – met het oog op de vredesdoelstelling – nu juist de verdedigingsindustrieën[19]. Dat is ook daarom paradoxaal, omdat het juist de overheden zijn, die zonder enige enthousiaste steun van hun bevolkingen de Unie zeggen te willen bevorderen. Hoe belust de politiek ook is voor schaal- en machtsvergroting, voor de nationale bestuurlijke apparaten is de Eu regelrechte concurrentie en juist bij zijn defensie heeft niemand graag pottenkijkers.

De discussie over de grondwet van 2005 heeft zich in de periode voorafgaande aan de referenda grotendeels aan de belangstelling van het Europese publiek onttrokken. Zoals met alles wat met Europa te maken heeft kregen de media pas aandacht voor de zaak toen er beslissingen moesten worden genomen die nationaal veranderingen te weeg konden brengen. Er was geen interesse zolang men meende dat het uitsluitend over Europa ging. Europa is voor de gemiddelde burger van een EU-staat gewoon buitenland, net zoals de eigen buurlanden dat nog steeds zijn.

Dat gebrek aan interesse zolang het zaken betreft die op nationaal terrein goed geregeld kunnen worden is begrijpelijk. Niemand zou de ambitie moeten hebben iets te veranderen dat redelijk werkt. Als algemeen uitgangspunt zou alles op het laagste niveau geregeld moeten worden dat in overeenstemming te brengen is met een goed functionerende nationale en internationale rechtsorde en met een efficiënte productie[20]. Europees ter wille van de glamour of voor het genoegen van de machthebbers lijkt een heel verkeerd uitgangspunt.
Er zijn aan de andere kant wel een aantal zaken die beter internationaal geregeld kunnen worden en er zijn dringende problemen die uitsluitend nog in samenwerking met anderen kunnen worden opgelost. De bestrijding van de internationale misdaad, terrorisme daaronder begrepen, of het internationale verkeer van goederen, en de bijbehorende juridische en fiscale infrastructuur. Sinds kort is daarbij gekomen het overheidstoezicht op het internationale financiële verkeer. Op deze terreinen is minder gebeurd dan mogelijk zou zijn geweest was als men zich uitsluitend op speerpunten had geconcentreerd. Onnodig veel aandacht is gegeven aan terreinen waarop integratie niet nodig was of waar de integratie zelf een probleem ging vormen.

De economische samenwerking is ooit opgezet voor het bewaren van de vrede tussen Europese landen met een gelijkwaardige vorm van economische ontwikkeling. Na de val van het communisme is daar een nieuw doel aan toegevoegd: de Oost Europese landen uit de invloedsfeer van Rusland halen en hun economie te hervormen naar het voorbeeld van West Europa. Turkije is een ander voorbeeld van een land dat binnen wordt gehaald zonder dat het daarvoor de nodige economische en sociale kwalificaties bezit. De uitbreidingen van de EU maken het onmogelijk om het bestuur van de Unie voort te zetten op de oude voet. Tegelijkertijd lukt het niet om het eens te worden over een aanpassing van het bestuur.
Dat leek een ramp maar het blijkt een blessing in disguise. De kar van de EU was van de weg geraakt en is nu door haar eigen gewicht in de modder blijven steken. Gelukkig is dat gebeurd nog vóór dat zij in het ravijn kon storten.

De redenen waarom men in de afgelopen decennia voor de opmerkelijke route naar een federaal en verenigd Europa heeft gekozen en tegelijk is blijven uitbreiden zijn complex. Er was het voorbeeld van de Verenigde Staten die pas na hun federale grondwet[21] een werkelijke staat zijn geworden. Een staat bovendien die in dezelfde mate aan gewicht won als de Europa landen aan macht en aanzien verloren. Men dacht klaarblijkelijk dat als we maar verenigd zijn, de macht en het aanzien weer terug keren. Er zit geen dwingende logica in die gedachte, maar sommigen denken het ook nu nog.

Dan is er het verleden waar men zich aan spiegelt, het rijk van Karel de Grote, de klassieke Grieks-Romeinse geschiedenis die een romantische notie van een verenigd Europa hebben gecreëerd. Het sterke punt van Griekenland tijdens haar bloeiperiode was juist dat de staatkundige onderdelen zelfstandig waren en dat elk van hen niet groter was dan een polis, een betrekkelijk kleine stad met ommelanden, die met de techniek en de communicatiemiddelen van die tijd bestuurbaar bleef. Rome was gigantisch, dat is waar, maar het was een slavenstaat. Vrijheid kende Rome alleen in haar groeiperiode en die vrijheid kwam toe aan een beperkt aantal mensen. Het publieke leven speelde zich toen bij uitsluiting af in de stad Rome. Rome was een rechtsstaat maar het ius civile gold alleen voor de burgers van de stad Rome.
Het economische en culturele zwaartepunt van het Romeinse keizerrijk lag niet in Europa, maar in Azië en Afrika, aan de overkant van de Middellandse Zee. Bestuurbaar was het Romeinse rijk van de aanvang af alleen met militaire macht. Het is ten onder gegaan aan zijn eigen bureaucratische gigantisme en militarisme en geen goed voorbeeld voor een bondgenootschap van democratische landen zoals de EU.

Karel de Grote heeft een generatie lang de verwezenlijking van een christelijk en een Europees idee gebracht, maar het bouwsel heeft zijn maker niet overleefd. Europa is daarna vooral een idee gebleven. Wat de gevolgen zouden zijn van een nieuwe verwerkelijking van de idee weten we niet, maar de hoop dat iets met de omvang van het Romeinse rijk en het aantal inwoners van de voormalige Sovjet Unie een verbetering voor ons in zou houden, ligt niet erg voor de hand.
Zoals Bolkestein, de voormalige Eurocommissaris ooit voor de televisie zei “maar wat dan wel”?
In elk geval een douane-unie en een vrije markt. Dat is niet niks en om het goed te doen is er wel degelijk een gemeenschappelijke infrastructuur voor nodig. Dat houdt in Europese fiscale en vennootschapswetgeving, gemeenschappelijk vervoersrecht, mededingingsrecht etc. en toezicht op de uitvoering ervan. Dezelfde regels in alle lidstaten voor de financiële controle van bedrijven en voor het functioneren van beurzen en andere financiële markten, allemaal heel specialistisch werk, dat zich aan de aandacht van het grote publiek onttrekt, maar dat een voorwaarde is voor het functioneren van een gemeenschappelijke markt.

Een aantal hobby horses van de Europa politici uit het verleden zouden moeten worden afgeschaft.
De gemeenschappelijke landbouwpolitiek was gebaseerd op de honger die geleden werd tijdens de tweede wereldoorlog, het werkt nu discriminerend tegen de arme landen uit de derde wereld en het is niet duidelijk waar het goed voor zou kunnen zijn zolang we ervan uit kunnen gaan dat de wereldhandel in voedingsmiddelen niet zal worden verstoord. Voor de nieuwe lidstaten zou in een overgangsperiode de trek van de plattelandsbevolking naar de steden kunnen worden gefaciliteerd. Dat is een tijdelijk zaak en heeft met de landbouw als zodanig niet van doen. Gemeenschappelijke kwaliteit- en milieuregels voor de agro-industrie misschien, ter bevordering van de eerlijke concurrentie en de volksgezondheid. Van de agrosubsidies en andere marktverstorende maatregelen moeten we af. Zijn we ten dele ook al vanaf.
Een meer algemene Europese sociale politiek, met subsidies voor de achtergebleven regio’s. Dat gebeurt uit naam van de Europese solidariteit, en heeft een zeker nut voor de periode waarin nieuwe leden zich aan de economische omstandigheden binnen de Unie moeten aanpassen. Voor het overige is het een socialistisch overblijfsel uit de negentiende eeuw. Het vormt een naaste aanleiding voor corruptie en voor overbodige investeringen en dus voor kapitaalvernietiging.
De Extremadura in Spanje en het Italiaanse Calabrië hebben hun problemen zelf opgelost door industrialisatie en door emigratie van een deel van de bevolking naar welvarender gebieden. Verder is het een kwestie van goed bestuur door de lokale autoriteiten.
De kostenopbrengst verhouding van overheidssubsidies voor stimulering van achtergebleven gebieden is slecht.
De gemeenschappelijke munt is een fait accompli, maar is een vlucht naar voren gebleken. Men dacht dat de euro de deelnemende landen zou dwingen er een zelfde economische politiek op na te houden, maar het is gebleken dat dit optimisme niet goed gefundeerd was. Het is het terrein bij uitstek waar gemeenschappelijke inspanningen moeten worden geleverd en waar de ondoelmatige organisatie van Europa aan succes in de weg staat.

De Westerse geïndustrialiseerde wereld waar Europa een onderdeel van vormt heeft een mate van ingewikkeldheid en onderlinge samenhang bereikt, waarbij een aantal problemen alleen nog maar in samenwerking op wereldniveau kunnen worden opgelost. Die wereld houdt niet op bij de grenzen van de Unie, maar aan de andere kant is de Unie groot genoeg om veel van haar problemen zelfstandig aan te pakken, net zoals dat geldt voor Amerika, Rusland, China-Japan, de andere grote regionale complexen. Ik noem er een paar: milieu en watervoorziening, energie, het probleem van de immigratie en de overbevolking[22], de internationale verkeersvoorzieningen, de communicatiemiddelen, de externe en interne veiligheid. Het is waar dat een deel van die problemen nog beter mondiaal worden aangepakt, maar ook hier geldt dat beslissingen dienen te worden genomen op het laagste niveau waarop dat praktisch mogelijk is. Het betere wordt gemakkelijk de vijand van het goede.

Functionele decentralisatie is de reden waarom een Federaal Europa niet alleen een onbereikbaar doel, maar ook helemaal geen wenselijk doel is. Als de nationale staten er niet waren zouden ze moeten worden uitgevonden. Wanneer het mogelijk blijkt om een gemeenschappelijke markt te handhaven zonder een centraal bestuur verdient die oplossing zeker de voorkeur. Wie ziet hoe lastig het is om op het lagere nationale niveau bureaucratie en onbestuurbaarheid in de hand te houden die huivert aan de gedachte van een federale Unie. Wie ziet hoe Amerika worstelt met het bestuurbaarheidsprobleem, terwijl dat land een zoveel efficiëntere cultuur heeft dan Nederland en de andere Europese landen, die zou zijn zegeningen moeten tellen en geen nieuwe problemen stapelen op de bestaande.

Landen of naties zijn culturele eenheden met hun eigen publieke opinie, hun eigen geschiedenis en hun eigen identiteit. Het nationaliseringsproces is in de meeste Europese landen pas in de negentiende eeuw goed op gang gekomen en het zet zich nog steeds voort. Friesland en Limburg zijn tegenwoordig Nederlandser dan zij vijftig jaar geleden waren en dat geldt op dezelfde manier in Duitsland voor Beieren en Sleeswijk Holstein. De invloed van de Europese landen op elkaar is beperkt. De invloed van de VS op elk van de Europese landen is groter, maar ook die moet niet worden overdreven. Er zijn terreinen waarop landen in de hele wereld gelijkenis zijn gaan vertonen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de jeugdcultuur, voor muziek, film, amusement, reclame, kleding, sport, drugs, voor vervoermiddelen en de energievoorziening, om maar een paar onderwerpen te noemen. Er zijn tal van andere terreinen waarvoor dat niet geldt en waar de nationale cultuur nog steeds veld wint. De nationale talen bijvoorbeeld worden tegenwoordig vaker als eerste taal of moedertaal gesproken dan de lokale dialecten. Er zijn nationale kunstvormen en cultuuruitingen die geen neiging vertonen om te internationaliseren. De omgangsvormen, zowel in het privé leven als in de publieke ruimte, zijn anders in Nederland dan in Duitsland, terwijl voor buitenstaanders die landen toch zo veel op elkaar lijken. Dat verschijnsel was in 2000 zeker zo sterk en opvallend als in 1900.
De inwoners van de Europese landen die niet beroepshalve met Europa te maken hebben zijn eigenlijk iedere keer weer verbaasd als ze met het bestaan van de Unie worden geconfronteerd. Het leeft bij niemand echt en het interesseert de mensen niet. Ze zien het als een technisch, economisch en politiek vehikel waar voor- en nadelen aanzitten en hebben door de bank genomen geen zin om zich erin te verdiepen. Dat is ook wel te begrijpen want de organisatie van Europa is nogal chaotisch en voor niet ingewijden ook niet te begrijpen.

Europese gezindheid en oriëntatie is een zaak voor ambtenaren, politici en journalisten, niet voor de burgers. Vraag in Nederland aan een representatieve steekproef van gewone burgers welke Nederlandse vertegenwoordigers in Brussel en Straatsburg ze kennen en behalve Bolkestein en Nelie Kroes wordt er niemand genoemd en dat geen van die twee nog in functie is op dit moment weet men ook niet.
Dat komt omdat relatief het aantal problemen dat als gemeenschappelijk wordt ervaren te klein is. Een gemeenschappelijk markt bevordert de vrede en de welvaart. Dat ziet ook iedereen wel en in abstracto is daar niemand tegen. Maar het is de ervaring dat problemen alleen in samenwerking kunnen worden opgelost die het politieke draagvlak geeft voor de Unie. Gaandeweg zullen zich meer problemen voordoen die om een gemeenschappelijke oplossing vragen. Maar ze dienen pas te worden aangepakt als zij zich voordoen en niet eerder. Verdergaande ambities zouden de landen niet moeten hebben en een grondwet hadden we al helemaal niet nodig. Zoals het dan wel vaker gaat, wie het onderste uit de kan wil hebben krijgt het deksel op de neus. De grondwet die per referendum werd afgewezen en via een omweg toch werd geïntroduceerd, blokkeert nu de verdere vooruitgang en heeft een Europese crisis veroorzaakt. Dat komt voor een deel omdat de Europese gezindheid van de bevolking in de lidstaten geen gelijke tred heeft gehouden met de ambities van de Europese politici maar voor een belangrijk deel ook door gebrek aan kwaliteit van het werk dat door Dehaene en Giscard is geleverd.
Buiten de kring van Eurojuristen kwam er vooral juridische belangstelling voor het Constitutionele verdrag toen bij ons de Raad van State had vastgesteld dat het daadwerkelijk om een grondwet ging, waarbij essentiële bevoegdheden aan Brussel werden overgedragen. Daarmee werd misschien vooral gedoeld op de z.g. Kompetenz Kompetenz: de macht die bij de Unie kwam te liggen om te beslissen welke bevoegdheden op grond van het verdrag aan haar zelf toe kwamen en welke bij de lidstaten waren gebleven. Gezien de traditie van het Hof EG om verdragen extensief uit te leggen kon dit als een beslissende bevoegdheidsverschuiving worden beschouwd. In Nederland zou het aannemen van het grondwettelijke verdrag daarom de procedure nodig maken die voor een grondwetswijziging is vereist. Die houdt onder meer Kamerontbinding in en geen van de regeringspartijen was daar erg gelukkig mee. Het referendum moet tegen die achtergrond worden gezien als een vorm van compromis.

Ik vraag me af hoeveel van de mensen die er met zo veel vuur over discussieerden het ontwerp voor een nieuwe Europese grondwet daadwerkelijk hebben gelezen. Het telt 325 bladzijden[23] en heeft vier delen. Deel 1 definieert de doeleinden van de Europese unie, haar organen en hun bevoegdheden, de procedures etc. Het tweede deel bevat een moderne versie van de grondrechten. Deel 3 is in hoofdzaak een samenvatting van de bepalingen uit de eerdere verdragen voor zover die niet in het nieuwe verdrag worden afgeschaft; in systematisch opzicht is het een uitwerking van deel 1. Deel 4 bevat de slotbepalingen, waaronder de regels die gevolgd moeten worden bij toekomstige wijzigingen en aanvullingen.

De commissie heeft een niet bindende uitleg geproduceerd van de grondwet van acht en twintig pagina’s en het is dat stuk dat de meeste schrijvers waarschijnlijk gebruikt hebben die ons over het ontwerp hebben voorgelicht. Dat kon misschien ook moeilijk anders. De 325 pagina’s wettekst zijn het resultaat van moeizaam onderhandelen en ze zijn ten dele zo geredigeerd dat iedereen er in kan lezen wat hij graag wil. Dat wordt dan niet iets dat als één geheel te lezen is en is misschien ook wel niet bedoeld om helemaal te begrijpen. Omdat het Hof EU er niet om heen kan om verdragen als dit wel te lezen en ook toe te passen, zullen de verdragsluitende partijen misschien nog voor verrassingen komen te staan, als de tekst ooit in ongeveer deze vorm zal worden geratificeerd.

Het stuk is niet alleen een grondwet, het is meer dan dat. Het is het handboek van de Unie en vervangt alle verdragen die eerder zijn gesloten. We beginnen qua oprichtingsverdrag van de Eu als het ware nog een keer helemaal opnieuw.
Het voordeel is, zou je verwachten, dat nu eens, samengevat op maar 325 pagina’s, alles te lezen valt waar het om gaat in de Unie. Totnogtoe stond dat verspreid over duizenden pagina’s tekst zonder veel samenhang, soms moeilijk te vinden, omdat het niet alleen verdragen en richtlijnen, maar ook uitspraken van het Hof EG[ 24] zijn waarin de definities en bindende regels worden gegeven. Maar ook dat voordeel blijft ons onthouden. Ook nu nog is het EU recht alleen te vinden in de handboeken voor de experts die weten hoe ermee om moet worden gegaan. Voor anderen, ook voor goedgeschoolde juristen van wie de ervaring op een ander terrein ligt blijft het maar ten dele leesbaar. Toch is niet de onleesbaarheid, maar de staatkundige armoede van het stuk zijn grootste leemte.

De naar het verleden gerichte blik is het essentiële gebrek in het hele concept van de grondwet. De staatkundige vormgeving is geënt op geopolitieke verhoudingen zoals die in de achttiende eeuw bestonden en ze bieden geen oplossing voor de problemen van de een en twintigste eeuw. In essentie wordt hier een extra overheidslaag gecreëerd, die zich bevoegd acht voor alle aspecten van de samenleving, hoe triviaal ook. Het is gemakkelijk te voorzien dat alleen al daarom te weinig tijd en aandacht zal overblijven voor de werkelijke grote problemen die op ons afkomen.

Toen De Gasperi c.s. de eerste Europese verdragen bedachten in de eerste jaren na de tweede wereldoorlog gebeurde dat om het soort Europese burgeroorlogen dat hun generatie had meegemaakt voortaan onmogelijk te maken.
Dat het een langdurig proces zou zijn wisten ze en ook dat het wat de bevolking van Europa aangaat een proces zou moeten zijn van gewenning en voldongen feiten. Die niet helemaal democratische methode was een middel dat in hun ogen door het doel geheiligd werd. Vanuit hun tijdstip in de geschiedenis leek dat geen onredelijk standpunt.
Intussen is gebleken dat in geen enkel Europees land de bevolking bereid is de nationale identiteit in te ruilen voor een Europese, en dat er zelfs geen groei in die richting heeft plaats gevonden. De onderscheiden regio’s[25], zijn in snel tempo op aan het gaan in de ene centrale nationale identiteit die men per land overhoudt.[26] De Baskische en Noord Ierse kwesties mogen het anders doen lijken, maar dat is maar schijn[27]. De regio’s hebben geen eigen fysieke, educatieve, communicatieve of financieel economische infrastructuur[28]. De afscheidingsbewegingen zijn romantische overblijfselen uit een vroegere tijd, hoeveel geweld ze in hun nostalgie ook weten te produceren.

In het laatste nummer van Foreign Affairs dat vóór het referendum uitkwam, stonden twee artikelen die betrekking hadden op de nieuwe Europese constitutie. Een was van de hand van Jeffrey Cimbalo, een advocaat uit Washington en de ander van de Griekse Kalypso Nicolaïdis, een don uit Oxford en tijdelijk hoogleraar aan het instituut voor politieke studies in Parijs. Het Amerikaanse artikel wees op de onverenigbaarheid van de nieuwe grondwet met de NATO en zocht naar middelen om ratificatie ervan te voorkomen. Het tweede, veel interessantere artikel, pleitte voor een herziene politieke conceptie van de Unie.

Mevrouw Nicolaïdis is politica en zij heeft Papandreou bijgestaan bij diens onderhandelingen over het rapport van de commissie Giscard[29]. Misschien is het deze achtergrond die haar er toe gebracht heeft haar pleidooi voor een herziening van het verdrag wat bedekt te formuleren. Haar lof aan de grondwet was als de toespraak van Havelaar tot de hoofden van Lebak. Zij zag veel goeds in het nieuwe verdrag, maar intussen vertelde ze nauwkeurig wat er allemaal fout aan was.
In wezen pleitte zij voor het loslaten van de idee van een Europese staat, federaal of confederaal, en voor het overstappen naar een Europa van inter-Europese projecten. Impliciet pleitte ze zowel voor afschaffing van het Europese parlement als van het Brusselse bureaucratische apparaat, maar wachtte ze zich wel dat openlijk te zeggen. Wat ze wilde was de oprichting van projectbureaus, elk met op het project afgestemde specifieke bevoegdheden. Die bureaus hoeven dan niet noodzakelijk allemaal in Brussel te zijn gevestigd en niet alle Europese landen zouden aan alle projecten hoeven deel te nemen. Er zou bijvoorbeeld een Rijnproject kunnen komen voor de bewaking van de kwaliteit van het water en het milieu van de oeverlanden van de Rijn en een ander bureau voor de Middellandse Zee. Aan het eerste doet Nederland wel mee maar aan het tweede niet. De Euro daarentegen zal op den duur misschien wel in heel Europa wettig betaalmiddel moeten worden en iedereen doet mee aan de douane unie en de gemeenschappelijke fiscale en juridische infrastructuur die daar bij hoort.

Voor zover de EU tot nu toe succesvol geweest is, was dat op het terrein van de inter-Europese projecten. Dat is haar stelling en het zou volgens haar tijd worden om voor dat succesvolle Europa een staatkundige vorm te ontwerpen.
Voor zover de EU in het verleden op problemen is gestuit die de verdere samenwerking belemmerden, is dat steeds weer een gevolg gebleken van de pogingen om een hiërarchisch verband te ontwerpen tussen de nationale staten en een bovenstatelijke autoriteit. Terecht stelt ze dat staten best bereid zijn een deel van hun autonomie af te staan aan de gezamenlijkheid, voor projecten die zij op nationaal terrein niet regelen kunnen, maar even terecht verwacht ze dat staten eindverantwoordelijkheid willen houden voor het welzijn van hun burgers. Dat is wat in een moderne staat de burger van zijn overheid verwacht. Niemand heeft behoefte aan een nieuwe laag bureaucratie tussen burgers en overheid. Daar komt bij dat de Europese overheid in wezen door niemand meer gecontroleerd kan worden, zelfs niet door een Europese pers, want die is er niet.
Het probleem van toetreding van nieuwe leden zou uit de wereld zijn. De projecten waar Turkije en andere Balkan landen wel of niet aan mee doen, zouden ad hoc kunnen worden bekeken. Het zou voor niemand meer slikken of stikken zijn en dat alleen al zou een grote vooruitgang betekenen.

Helmut Schmidt heeft in zijn boek Mächte der Zukunft duidelijk gemaakt dat de snelle uitbreiding van de EU niet een versterking, maar een verwatering en dus een verzwakking van de Gemeenschap ten gevolge heeft gehad.
Het concept voor een nieuwe grondwet was niet zo zeer een basis voor een hechtere samenwerking als wel een luidruchtige vlucht naar voren. De monetaire unie had ons in dit opzicht lessen moeten leren[30]. Verder springen dan je polsstok lang is leidt tot teleurstellingen, niet tot resultaten. Het zou in het belang van Europa zijn als we de utopieën van onze politici zouden kunnen laten voor wat het zijn, toekomstdromen. Dan zouden we ons kunnen concentreren op het oplossen van de gemeenschappelijke Europese problemen. Daar zijn er een hele lijst van en allemaal lijden ze aan een verwaarlozing doordat de daarvoor benodigde energie besteed wordt aan cosmetische problemen, zoals de uitbreiding van de macht van het parlement en de gemeenschappelijke buitenlandse politiek. Net als Chroetschev indertijd hebben de Europese politici gezworen dat ze de VS economisch zullen inhalen, maar de schoen op tafel van de man uit de Oekraïne heeft Rusland geen economische resultaten gebracht en Amerika inhalen zal Europa evenmin.
De nieuwe grondwet zou geen steun zijn geweest voor een efficiënter Europa, het was een sta in de weg geworden.

De beste resultaten voor een verdere eenwording zijn te bereiken door het oplossen van echte problemen. Als Europa weet te zorgen voor een oplossing van de economische crisis, het immigrantenprobleem, de toenemende externe en interne onveiligheid, de werkloosheid, het milieu, het toekomstig gebrek aan energie en zo zijn er nog wel een rij te noemen, dan verschaft het zich zelf politiek draagvlak en legitimiteit. Dan komt de eenheid daadwerkelijk dichterbij. Utopieën helpen niet.

[1] Dat laatste bolwerk was niet Byzantium maar Trebizonde en dat ligt niet aan de Middellandse, maar aan de Zwarte Zee. Het viel in 1461.
[2] Men kan ook de Verenigde Staten als een poging in die richting zien, maar de oorspronkelijke confederale opzet was geen lang leven beschoren en de federatie kwam pas tot stand na een bloedige burgeroorlog die leidde tot de totale nederlaag van de zuidelijke staten.
[3] Het is een misvatting dat geweld nooit iets tot stand zou kunnen brengen. Turkije en Rusland zijn voorbeelden van grote rijken die met bruut geweld tot politieke eenheid zijn gebracht en Rome is het grote voorbeeld uit de oudheid. Men kan tegenwerpen dat geen van die rijken op de lange duur in stand zijn gebleven maar dat is nu eenmaal de condition humaine: niets is voor de eeuwigheid. Het Duitse rijk van Bismarck en het Italië van Cavour en Garibaldi laten zien hoe het tot stand brengen van een succesvolle eenheid altijd gepaard gaat met een zekere vorm van geweld zelfs al is de eenheid populair bij de meerderheid van de bevolking.
[4] Dat in beide gevallen een vorm van Europese eenheid het oorlogsdoel was wordt door historici niet meer betwist. Dat die eenheid de vorm zou hebben gehad van een federatief verband met een Franse, respectievelijk een Duitse hegemonie is waarschijnlijk. Dat zou intussen betekenen een gemeenschappelijke markt, een op Franse (Duitse) leest geschoeide wetgeving, onderwijssysteem, belastingen etc., een gemeenschappelijk leger onder Duitse (Franse) leiding en Franse, respectievelijk Duitse politieke uitgangspunten. Dit is ook het soort eenheid waar nu in Brussel nu naar gestreefd wordt, maar dan zonder geweld.
[5] Of natie en samenleving synoniemen zijn en of in het sociologisch, historisch of algemeen spraakgebruik de begrippen in de bovenbedoelde zin worden gebruikt laat ik in het midden. Het lijkt me een zinnige definitie en in dit stuk wil beide termen in deze zin gebruiken.
[6] Nederland is een schakel in het Europese elektriciteitsnet en de Russische gasleiding bereikt ons via Duitsland, maar dat neemt niet weg dat distributie centraal vanuit Nederland plaats vindt, het energienetwerk voor consumenten en bedrijven in Nederland wordt onderhouden en iedereen hier voor zijn gas en elektra Nederlandse rekeningen krijgt toegestuurd.
[6] Er zijn wel uitzonderingen te bedenken, van diensten of goederen die vanuit het buitenland in Nederland worden gedistribueerd en door het internetverkeer nemen zij toe in getal, maar hun aantal blijft beperkt.
[7] Een goed voorbeeld van de schadelijke gevolgen die zich door het plotseling verbreken van contacten kunnen voordoen was de opsplitsing van de Habsburg monarchie na de eerste wereldoorlog. De economische schade die dat veroorzaakte is pas aan het verdwijnen sinds de belangrijkste lidstaten van die statenbond tot de EU zijn toegetreden.
[8] Voor de heel kleine landen als Luxemburg, Andorra etc. geldt dat niet. Luxemburg is in wezen een onderdeel van België en Andorra van Spanje.
[9] Voor juristen mag dat anders lijken, omdat grondwettelijk de deelstaten een grote mate van zelfstandigheid hebben. Dat is iets wat veel werk verschaft aan de Supreme Court en ondermeer consequenties heeft voor de fiscaliteit, het vennootschapsrecht en een paar andere rechtsgebieden. Voor de economie en de maatschappelijke organisatie is het belang te verwaarlozen. Wal Mart is hetzelfde, of je nu in Alaska winkelt of in Georgia en dat geldt ook voor het gemeentebestuur, de plaatselijke bibliotheek en voor Avis rent a car.
[10] An inquiry into the nature and the causes of the wealth of nations, hoofdstuk 1, boek 1.
[11] Zelfs de auto-industrie is in hoofdzaak nationaal georganiseerd en voor zover zij deel uitmaakt van internationale conglomerates zijn die in meerderheid Amerikaans of Japans.
[12] Echt Europees zouden industrieën zijn waarvan zowel de productie als de consumptie over meerdere lidstaten van de EU zouden zijn gespreid, maar zonder dat niet-Europese landen erin gemoeid zouden zijn. Zulke industrieën zijn er bij mijn weten niet.
[13] Een eeuw geleden was er in de VS nog een groot verschil tussen de Zuidelijke staten, die vóór de Burgeroorlog deel hadden uitgemaakt van de confederatie van slaven houdende staten, maar in de twintigste eeuw zijn die verschillen grotendeels verdwenen. Een Lega Nord of een Euskadi Ta Askasuna zijn in de VS nu ondenkbaar.
[14] Wie meent dat in Gaza of in Irak of elders in het Midden Oosten op een ingrijpen van Europa wordt gewacht, moet ter plekke zijn licht maar eens op gaan steken. De populariteit van Europa is niet veel groter dan die van Amerika. Als het Israël niet gelukt is, waar van oorsprong meer welwillendheid tegenover de Palestijnen bestond dan in Duitsland of in Frankrijk, dan zal het Europeanen zeker niet lukken om een oplossing te vinden voor het Arabische geweldsyndroom.
[15] Het is juist dat vergeleken met de nationale bureaucratieën de Brusselse bureaucratie zowel beperkt van omvang is als competent. Dat neemt niet weg dat het wel een extra laag bureaucraten is boven de bestaande en dat met het verloop van de tijd ook de mate van competentie wel zal afnemen. Het lijkt een sociologische wet te zijn dat de bekwaamheid en de effectiviteit van een bureaucratisch apparaat omgekeerd evenredig is aan zijn leeftijd.
[16] De gedachte is dat het bestaande strakke monetaire beleid voldoende moet zijn om de euro overeind te houden, maar of dat waar is zal blijken wanneer in Frankrijk de inflatie uit de hand loopt als gevolg van een onvoldoende gedisciplineerd financieel beleid.
[17] De wereldrijken van Alexander de Grote en van Djengis Khan zijn voorbeelden van zulke fragiele bouwsels en in Europa het rijk van Karel de Grote.
[18] Legitimiteit zoals Max Weber die formuleerde in Die drei reinen Typen der Legitimität. Het is deze vorm van legitimiteit die generaal de Gaulle bedoelde, toen hij uitlegde waarom de oorspronkelijke opzet van de Gemeenschap niet deugde.
[19] Alleen daar waar een nationale industrie in geen enkele opzicht langer te bekostigen is zoals in de militaire luchtvaart is er van Europese samenwerking sprake. De defensie-industrieën zijn verder nationaal gebleven. Ze concurreren onderling op de wereldmarkt en leveren een niet geringe bijdrage aan de instabiliteit in de derde wereld. In feite ligt daar een van de problemen die in onderling overleg zou behoren te worden opgelost. Dat men daar niet aan toekomt komt omdat de quasi-problemen van de politieke vormgeving van de Europese samenwerking te veel aandacht opeisen.
[20] Er lijkt bijvoorbeeld geen enkele reden te zijn waarom het probleem van de fijnstof of van de fauna en flora wetgeving op Europees niveau moet worden geregeld.
[21] en een bloedige burgeroorlog.
[22] Het probleem van de vergrijzing is een pseudo probleem. Of vriendelijker gezegd: een belangrijk maar ondergeschikt probleem van tijdelijke aard. Mensen zullen een tijd lang later met pensioen moeten en het percentage niet werkenden onder de jongeren dient te worden verlaagd. Na verloop van een generatie herstelt de demografische opbouw zich, tenzij men het tijdelijk probleem permanent gaat maken door de import van arbeidskrachten van elders.
[23] In de door de Gemeenschap op het internet gepubliceerde Engelstalige tekst.
[24] Die nieuwe eigen rechtspersoonlijkheid van de Unie, die velen in het verdrag menen te lezen was bijvoorbeeld al aan te treffen in de arresten Van Gend en Loos en Costas/ENEL van respectievelijk 1963 en 1964.
[25] In het Noorden van Sleeswijk Holstein werd Deens gesproken. Het dialect in Roermond was hetzelfde als dat van Keulen en Gronings was niet te onderscheiden van het Oost Fries in Duitsland. Nice en omgeving sprak Italiaans, evenals Corsica. In Noord Frankrijk werd Vlaams gesproken en in de Alto Adige Duits. Catalaans lijkt nog steeds meer op het Frans van de Langue d’Oc dan op Spaans, maar het wordt door een afnemend aantal mensen in Catalonië gesproken. De dialecten en oude restanttalen zijn aan het verdwijnen of verdwenen en iedereen spreekt de taal van de nationale televisie.
[26] Terwijl de oude naties van Europa hechter worden en uniformer bevinden zich in alle landen van Europa twee bevolkingsgroepen die een uitzondering vormen. De eerste en grootste zijn de niet westerse allochtonen en de tweede kleinere, maar economisch belangrijkere, wordt gevormd door de expats, de doorgaans hoog opgeleide allochtonen uit andere westerse landen. Ook zij zijn geen echte Europeanen, in de zin dat hun loyaliteiten wel de grenzen overschrijden, maar niet op Europa zijn gericht. Binnen de expats bestaat wel een vage vorm van internationaal westers bewustzijn, maar die strekt zich mede uit tot delen van Amerika en andere landen van de westerse wereld.
[27] De hele Ierse kwestie is iets uit de oude doos. Als de republiek Ierland al niet al onafhankelijk was, zou zij dat waarschijnlijk nu niet meer worden. Het is in praktisch alle opzichten net zo Brits als Schotland en Wales; de eigen taal, het Gaelic, is een relikwie geworden. Er zijn meer mensen in Wales die Welsh spreken dan er Gaelic sprekers zijn in Ierland en in Noord Ierland spreekt niemand het.
[28] Een uitzondering lijkt te moeten worden gemaakt voor België, waar de regio’s op weg lijken te zijn de unitaire nationale staat te vervangen. Overigens blijkt juist in België hoe onmogelijk het is in de moderne tijd om twee verantwoordelijke overheden naast elkaar te hebben met concurrerende bevoegdheden.
[29 Misschien is de geruisloze verwijdering van het citaat van Thucydides, dat oorspronkelijk de preambule van het verdrag sierde, wel aan haar te danken. De vertaling klopte niet, hetgeen nogal gênant was voor een Europa in wording, dat zich op haar Griekse wortels beroept. Giscard had zeker zitten slapen op Louis le Grand toen de grafrede van Pericles werd vertaald.
[30] Terecht dachten de opstellers van het verdrag dat een gemeenschappelijke munt alleen houdbaar is op den duur als ook de economieën van de deelnemende landen op elkaar zijn afgestemd. Een van de middelen die men daarvoor heeft is een beperking van de inflatie, voor zover die door overheidsuitgaven wordt veroorzaakt. Overheidstekorten op begrotingen mogen om die reden niet voor meer dan twee jaar achtereen de 3% overschrijden. Toen Duitsland en Frankrijk die grens niettemin overschreden bleek dat noch de commissie noch het Hof van Luxemburg bij machte waren de grote landen in het gareel te houden. Zo zou het ook met de grondwet zijn gegaan, als die was aangenomen.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in europa, geschiedenis. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s