Crisis in het onderwijs.

Een tijd geleden heeft Pieter Hilhorst, de columnist van De Volkskrant, een samenvattend essay geschreven over Het nieuwe leren. Samenvattend omdat daarbij de bedoeling werd weergegeven die de uitvinders ermee hadden en omdat de argumenten voor en tegen uitvoerig aan de orde kwamen. Belangrijk, vond ik, was dat het verhaal in begrijpelijk Nederlands geschreven was en er met een zeker respect over de verschillende standpunten gesproken werd. Hier volgen een paar citaten:
Het Nieuwe Leren is een containerbegrip dat door iedereen verschillend wordt ingevuld. Niettemin heeft het nieuwe leren een aantal basisingrediënten. Een daarvan is dat kennisverwerving voor de aanhangers van het Nieuwe Leren geen doel op zich is. Het gaat erom wat je met kennis kunt doen.

Onderwijspsycholoog Rob Martens onderscheidt vier kenmerken van het nieuwe leren : onderwijs moet leiden tot inzicht en begrip (iets van buiten leren is zinloos); nieuwsgierigheid en een drang tot exploreren zijn de beste drijfveren om te leren (het liefst in een authentieke omgeving of simulatie daarvan, zoals een garage of kantoor); ‘zelfregulatie’ motiveert degene die leert (leerlingen bepalen hun eigen leerstrategie en hun studietempo en -voortgang) en samenwerking stimuleert tot leren.

Leerlingen moeten begrijpen waarom ze iets moeten leren. Als ze het nut ervan inzien, vergroot dat de motivatie. Het Nieuwe Leren begint daarom niet bij de theorie, maar bij een kwestie of een probleem. Idealiter overstijgt de kwestie de grenzen van diverse vakgebieden. Er bestaat een grote voorliefde voor projecten. Soms bedenken leerlingen zelf de onderzoeksvraag, maar dat is niet noodzakelijk. Het kan ook zijn dat een bedrijf vraagt om een oplossing voor een probleem en dat leerlingen zich daarop storten. In het Nieuwe Leren geldt: hoe realistischer, hoe beter.

De voorkeur voor het samenwerken in groepen heeft een dubbele oorzaak. Samenwerken is een vaardigheid die leerlingen zich eigen moeten maken, maar door het samenwerken leren leerlingen de stof ook beter. De beste manier om kennis of theoretische inzichten te doorgronden is door het uit te leggen aan iemand anders. Leerlingen die veel uitleg geven aan klasgenoten halen de beste studieresultaten. Dat blijkt uit onderzoek waarop docente onderwijskunde Henny van der Meijden is gepromoveerd.

Het gebruik van Informatie en Communicatie Technologie wordt ook vaak genoemd als kenmerk van het Nieuwe Leren. Maar volgens de Groningse hoogleraar Greetje van der Werf kan ICT zowel worden ingezet bij traditioneel onderwijs, als bij het Nieuwe Leren. Voor haar is het kenmerk van het traditionele onderwijs dat de onderwijsstof stapsgewijs in kleine porties wordt aangeboden. Dat kan ook via een computerprogramma, waarbij kinderen steeds opdrachten moeten maken van hun eigen niveau. Anders is het als de computer wordt gebruikt voor samenwerkend leren zoals Henny van der Meijden bepleit. De computer wordt nu te veel gebruikt om informatie te vinden. Zij bepleit dat scholen ICT gebruiken om kinderen elkaar vragen te laten stellen en uitleg te laten geven. In dat geval maakt ICT onderdeel uit van het Nieuwe Leren.
Twistpunt 1: wie doet het beste recht aan verschillen tussen leerlingen?

Een van de argumenten voor het Nieuwe Leren is dat het traditionele onderwijs is gericht op de ‘gemiddelde leerling’. Het is slecht in staat om recht te doen aan verschillen tussen leerlingen. Ondertussen zijn de verschillen tussen leerlingen enorm toegenomen. Vooral op het vmbo zitten leerlingen met zeer uiteenlopende achtergronden, kwaliteiten en ambities. Het Nieuwe Leren belooft aan deze verschillen meer recht te kunnen doen doordat de individuele leerling centraal staat.
Kees Beekmans columnist van de Volkskrant en leraar op een praktijkschool in Amsterdam heeft een duidelijk beeld van een goede vmbo en praktijkschool: je moet “de opleiding niet alleen zo praktisch mogelijk maar ook zo individueel mogelijk maken, waarmee ik niet bedoel dat kinderen altijd alleen werken, integendeel, maar ze ontwikkelen hun eigen talenten, ze doen vooral dat waar ze goed in zijn. Ze moeten succes hebben, het gevoel krijgen dat ze ook wat waard zijn. Laat het onderwijs vooral ook de buitenwereld raken – geef deze kinderen de kans te socialiseren. Ze moeten snel op stage, en gewoon werken. Ze leren het best in een omgeving die zo echt mogelijk is: de maatschappij.”
Critici van het Nieuwe Leren betwijfelen of wel recht wordt gedaan aan de verschillen tussen leerlingen. Cultuursocioloog Gabriel van den Brink stelt dat het ideaal van zelfstandigheid alleen iets is voor de bovenlaag. “Je gaat uit van leerlingen die de taal goed spreken en plezier hebben in leren, maar dat geldt echt niet voor iedereen. Die discipline heeft niet ieder kind. Dat moet je ze aanleren, net als de arbeiderskinderen in de jaren dertig dat moesten. Daar is, net als honderd jaar geleden, een beschavingsoffensief voor nodig.”

Onderzoekster Ria Bronneman van het SCP legt niet de nadruk op de vrijheid van de leerling, maar op de praktische inslag van het leren en op de nadruk op vaardigheden in plaats van kennis. Zij meent ook dat maar een klein deel van de leerlingen daar baat bij heeft. Ook zij gelooft net als Van den Brink dat het Nieuwe Leren alleen soelaas kan bieden voor de leerlingen van het vmbo en het mbo. “Ik denk dat het wel goed is voor vmbo en voor mbo, maar of het ook zo is voor het vwo vraag ik me af. Daar wordt een hoger abstractieniveau vereist.”

Als de onderwijsmethoden van het vmbo en het mbo wel geschikt zijn voor de beroepspraktijk, maar een slechte voorbereiding zijn voor een hbo-opleiding, dan wordt het steeds moeilijker via het onderwijs te de maatschappelijke ladder te beklimmen. Dat is precies de vrees van veel critici. De weinig eisende aanpak in het onderwijs maakt het juist moeilijk voor immigrantenkinderen om hoger op te komen. Wie van huis uit weinig heeft meegekregen kan dit door het nieuwe leren veel moeilijker compenseren op school.
Andere critici drukken zich nog duidelijker uit. “Vroeger kon de onderklasse emanciperen via het onderwijs. Maar het moderne Nieuwe Leren sluit jongeren aan de onderkant op in hun getto. De gebrekkige kennis en de aangeleerde routineuze vaardigheden die resulteren in het hedendaagse mbo-diploma, veroordelen de huidige generatie leerlingen tot een leven van losse scharrelbaantjes en uitkeringen. Deze vorm van onderwijs voert regelrecht naar een gesegregeerde samenleving.”

In hun manifest van de Vereniging Beter Onderwijs Nederland bieden Ad en Marijke Verbrugge een andere oplossing om recht te doen aan de verschillen in het onderwijs. Zij bepleiten de vorming van homogene klassen. Met een zorgvuldige selectie moet dat mogelijk zijn. Ze zijn dan ook voor de afschaffing van Weer Samen Naar School. Die wet stimuleert dat kinderen die eigenlijk naar het speciale onderwijs moeten in gewone klassen blijven zitten.

Twistpunt 2: Waaruit bestaat de professionaliteit van de docent?

Tegenstanders van het Nieuwe Leren zien de vakinhoudelijke kennis van de docent als de kern van zijn professionaliteit. Het Nieuwe Leren vormt een driedubbele bedreiging van de professionaliteit van de leerkracht. Zijn autonomie om zijn eigen vak naar ‘eigen inzicht te onderwijzen’ wordt beperkt. Een tweede bedreiging komt eruit voort dat projecten vaak vakoverschrijdend zijn. Ten derde bestaat de kans dat de vakdocent wordt vervangen door een minder hoog opgeleide begeleider“De contacturen met vakdocenten nemen af, ondergekwalificeerde en goedkopere begeleiders nemen hun plaats in en vaksecties worden ontmanteld tot jaarteams met thematische lesprogramma’s.” De Vereniging voor Beter Onderwijs stelt dan ook dat een verbetering van het onderwijs begint bij eerherstel voor de vakdocent. Hij moet zijn autonomie terugkrijgen.
Voor de pleitbezorgers van het Nieuwe Leren schuilt de kern van de professionaliteit van de docent niet in de vakinhoud, maar in de pedagogiek en de didactiek. De centrale vraag is niet hoe loods ik de leerlingen door de lesstof, maar hoe organiseer ik het onderwijs zo dat leerlingen inzicht krijgen in het vakgebied? Daarvoor is het noodzakelijk om te zorgen dat leerlingen willen leren en dat ze snappen wat ze met de verworven kennis en vaardigheden kunnen doen. De professionele begeleider maakt leerlingen alert op wat ze nog niet weten, zodat ze hun inzicht kunnen verdiepen. “Een goede leraar stelt leerlingen wedervragen.
Martin Sommer ontdekte tot zijn schrik dat de Onderwijsraad had geconstateerd dat studenten aan de lerarenopleidingen 80 procent van hun tijd besteden aan didactiek, pedagogiek en onderwijskunde. Maar een vijfde van de tijd zit in de vakinhoudelijke scholing
Twistpunt 3: Niet kennis tegenover vaardigheden, maar de strijd om het type kennis en de soort vaardigheden.

De tegenstanders van het Nieuwe Leren zien zichzelf als hoeders van de kennis. Ze keren zich tegen het idee dat kennis veroudert en dat je feiten makkelijk kan opzoeken. Klachten van vervolgopleidingen of werkgevers over het kennistekort van leerlingen zien zij als bewijs voor het failliet van het Nieuwe Leren. Zo bleek uit onderzoek van de Universiteit Twente dat slechts 4 procent van de nieuwe eerstejaars voldoende wiskundekennis heeft om aan zijn opleiding te beginnen. En dan is wiskunde nog een vak waarbij Nederlandse leerlingen bij internationale vergelijkingen goed scoren. Ook het nieuws dat driekwart van de Pabo-studenten die van het MBO kwamen de rekentoets niet haalde, werd gezien als het bewijs van het eigen gelijk
Voorstanders van het Nieuwe Leren ontkennen helemaal niet het belang van kennis. Maar kijken meer naar de gebruikswaarde van kennis. Ze benadrukken dat leerlingen sommige dingen tegenwoordig beter kunnen. Zo blijkt uit de Periodieke Peiling van het Onderwijsniveau (PPON) dat leerlingen op het einde van de basisschool slecht scoorde op traditionele vaardigheden als vermenigvuldigen, maar het veel beter te doen op het schattend rekenen. Bij dat laatste onderdeel moet een leerling heel snel uitrekenen wat ongeveer de uitkomst van een som zal zijn. Volgens een brievenschrijver geldt dat ook voor geschiedenis. “Ze kennen minder jaartallen, maar snappen meer van de wereld.” Het gaat dus niet om kennis versus onwetendheid, maar een bepaald type kennis versus een ander type kennis
Het is niet zo dat alleen de voorstanders van het Nieuwe Leren vaardigheden van belang hechten. Voor- en tegenstanders hechten alleen aan andere vaardigheden. De voorstanders benadrukken het belang van het vermogen tot samenwerken en van reflectie op de eigen ontwikkeling. Tegenstanders benadrukken het belang van onderwijs bij karaktervorming. Zoals Ad en Marijke Verbrugge schrijven over de leerling op een ideale school. “Zijn scholing omvat dan niet alleen vakkennis, maar ook doorzettingsvermogen, zelfbeheersing, concentratie, creativiteit en de ontwikkeling van een realistisch zelfbeeld. Een inhoudelijke scholing geeft bij uitstek de mogelijkheden voor zelfontplooiing.”
.
Nieuwe Leren past in reeks van bovenaf opgelegde onderwijsvernieuwingen
Tegenstanders van het Nieuwe Leren stellen het Nieuwe Leren graag voor als de laatste van een serie desastreuze onderwijsvernieuwingen. De Middenschool, de basisvorming, het studiehuis en de invoering van het vmbo worden erbij gehaald. Sommige critici halen er zelfs de invoering van de Mammoetwet bij. De overeenkomst zou zijn dat het allemaal van boven opgelegde vernieuwingen waren waar de mensen uit de praktijk niet op zaten te wachten. Het zijn even zo vele voorbeelden van een overdreven geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Het kan goed zijn dat mensen uit het onderwijs zich overvallen voelden door de opeenvolgende onderwijsvernieuwingen. Maar daarmee houdt de overeenkomst wel op. Het is niet juist om de diverse vernieuwingen samen te vatten als opeenvolgende pogingen tot nivellering. Dat gold misschien wel voor de Middenschool en de basisvorming, maar niet voor het Nieuwe Leren. Daarbij is het doel nadrukkelijk om verschillen niet weg te moffelen, maar juist om ze recht te doen. Toch komt het verwijt van nivellering terug, omdat het Nieuwe Leren de oorzaak zou zijn van de daling van het aantal academisch gevormde leerkrachten.
Een nog belangrijker verschil tussen het Nieuwe Leren en eerdere onderwijsvernieuwingen is dat er nooit een decreet uit Den Haag is gekomen om het Nieuwe Leren in te voeren. Leo Prick erkent dat ook. De vernieuwingen komen nu niet uit Den Haag, maar van de schoolbesturen, die aan de andere kant weer beschouwd kunnen worden als een verlengstuk van Den Haag. Van de nieuwe ‘zoetermeertjes’ zoals Prick ze noemt. Ook Pieter Hettema, de directeur van Schoolmanagers VO, bevestigt dat het terugtreden van het ministerie van onderwijs de weg heeft vrijgemaakt voor de jongste onderwijsvernieuwingen: “Uit de resultaten van onze Innovatiemonitor blijkt dat een overweldigend aantal scholen bezig is met onderwijsvernieuwing – juist omdat de grote stelselwijzigingen verleden tijd zijn. Hoe sneller de gedetailleerde regels van het Ministerie van Onderwijs opgeruimd worden, des te eerder en beter lukt het schoolleiders en schoolbesturen om, samen met de docenten, ouders, leerlingen en maatschappelijke omgeving, een nieuwe eigentijdse invulling te geven aan vernieuwend en ondernemend onderwijs.” Als docenten het gevoel hebben dat onderwijsvernieuwingen hen worden opgedrongen, is de bron een stuk dichterbij dan Den Haag.
Mensbeelden van voor en tegenstanders van het Nieuwe Leren
In september 2005 constateert Kees Beekmans dat journalisten en columnisten over het algemeen weinig tot niks moeten hebben van het Nieuwe Leren. “Misschien doet het Nieuwe Leren ze denken aan de jaren zestig en zeventig, een tijdgeest die haaks op de huidige staat en nu als achterhaald en belachelijk geldt. De tegenstrijdige mensbeelden blijken ook uit de vaardigheden die het onderwijs leerlingen moeten bijbrengen. De voorstanders van het Nieuwe Leren streven in hoofdzaak naar het bijbrengen van sociale vaardigheden. De voorstanders van het traditionele leren streven naar karaktervorming en de vermeerdering van kennis en vaardigheden. Het is juist goed voor leerlingen om te leren door een zure appel heen te bijten. Volgens Leo Prick is de kritiek op het oude leren dat het saai is en dat leren voor later is. Maar dat is alleen een probleem voor leerlingen die uit zijn op onmiddellijke behoeftebevrediging. En dat moet je helemaal niet stimuleren, want mensen die hebben geleerd om hun behoeftebevrediging uit te stellen zijn in het leven succesvoller en kunnen beter omgaan met stress. De conflicterende mensbeelden schuilen ook in de houding ten opzichte van straffen en corrigeren. Aanhangers van het Nieuwe Leren geloven dat het fnuikend is voor de motivatie als leerlingen het gevoel hebben dat ze waardeloos zijn. Dus schrijft Beekmans dat hij het als zijn grootste taak ziet om kinderen hun eigenwaarde terug te geven. “Ze ontwikkelen hun eigen talenten, ze doen vooral dat waar ze goed in zijn. Ze moeten succes hebben, het gevoel krijgen dat ze ook wat waard zijn.”
Critici van het Nieuwe Leren verwijten de aanhangers naïviteit. Ze hebben een volstrekt geïdealiseerd beeld van de gemiddelde leerling. Grappig genoeg maken de aanhangers van het Nieuwe Leren de voorstanders van het traditionele onderwijs een spiegelbeeldig verwijt. Zij idealiseren niet de leerling maar de docent. Zij hebben het idee dat elke leraar de inspirerende vakdocent is die ongeïnteresseerde leerlingen kan inwijden in het vakgebied.
Ontmaskeringen
In diverse bijdragen aan het debat worden niet zozeer argumenten ingebracht, maar wordt geprobeerd om de verborgen bedoelingen van tegenstanders bloot te leggen. Ze zeggen wel dat de kwaliteit van het onderwijs ze aan het hart gaat, maar eigenlijk hebben ze een hele andere agenda. Zo wordt de vereniging Beter Onderwijs Nederland verweten dat ze eigenlijk een belangengroep zijn voor eerstegraads leraren
Een andere ontmaskering is dat het Nieuwe Leren voortkomt uit een opstand van de dommen tegen de slimmen. Het is een rancuneleer. Het is een poging om het belang van kennis onderuit te schoffelen. “Aan de meeste onderwijsvernieuwingen hangt een geur van kennis-deugt-niet.” Het is een ideologie van nivellering. En ten slotte zijn er de (hoge)scholen waar de besturen, die in het verleden nooit betrapt konden worden op enige affiniteit met onderwijs, zich, met de nieuwverworven autonomie, plotseling ontwikkeld hebben tot pleitbezorger van een of andere vorm van onderwijsvernieuwing. En daarbij valt de keuze dan toevallig altijd op vernieuwingen waarbij minder leraren nodig zijn, of waarbij het niveau van hun opleiding er niet toe doet, of waarbij hun rol dusdanig wordt beperkt dat een lagere inschaling gerechtvaardigd is.”
Woordenstrijd
Het debat over het Nieuwe Leren is niet alleen een uitwisseling van argumenten. Het is ook een woordenstrijd. Voor- en tegenstanders hebben een zeer verschillend taalgebruik. Voorstanders van het Nieuwe Leren lijken om hun onderwijsvernieuwingen onder woorden te brengen ook een nieuwe taal te hebben willen ontwikkelen. Hun stukken staan vol neologismen, zoals competentiegericht onderwijs, een contextrijke of een activerende leeromgeving, de leerling is ‘zelfverantwoordelijk’. En dan is er ook nog hersenvriendelijk, zelfontdekkend en dieper leren. De tegenstanders van het Nieuwe Leren hebben daarentegen een voorkeur voor oudere woorden en beelden. Het onderwijs moet niet tegemoet komen aan de ‘luimen’ van de leerling. En docenten moeten de schroom van zich afwerpen om het rode potlood te hanteren.
Ook de toon van de stukken loopt uiteen. Voorstanders van het Nieuwe Leren erkennen dat ze zoekend zijn. Ze weten dat het op de oude manier niet meer gaat, maar hebben geen duidelijk beeld van hoe het dan wel moet. Ze beschrijven het alternatief in algemene termen. De tegenstanders geven daarentegen wel concrete voorbeelden van misstanden bij het Nieuwe Leren, zoals het plan van een mbo opleiding om het vak Nederlands te schrappen. Hun stijl is niet tastend, maar eerder sarcastisch. Ze lijken wanhopig vanwege wat zij noemen de verwoesting van het bestaande onderwijs.
Hoe verder?
In het debat wordt het Nieuwe Leren lijnrecht tegenover het traditionele leren gezet. In de praktijk is er sprake van een glijdende schaal van een meer of minder traditionele inrichting van het onderwijs. Aan de uiteinden staan de idealistische varianten. Aan de ene kant zijn dat de iederwijsscholen of het Unic, aan het andere uiterste staat het ideaal van de vereniging Beter Onderwijs Nederland met homogene klassen en grote autonomie voor de individuele vakdocent
Het domste wat je volgens Kars Veling, directeur van het Haagse Johan de Witt College, kan doen is om ze allemaal in hetzelfde programma te dwingen. “Voor sommige leerlingen motiveert een lange-termijnideaal van studie, wellicht gekoppeld aan een maatschappelijk ideaal. Sommige leerlingen worden gemotiveerd door praktisch te werken, misschien al door een verbinding met een concrete werkplek in een instelling of bedrijf. Sommige leerlingen hebben meer tijd nodig om te leren, bij voorbeeld omdat ze een achterstand hebben in hun taalontwikkeling. Sommige leerlingen hebben door een persoonlijkheidsprobleem extra zorg nodig
Variëteit
Over één ding zijn voor- en tegenstanders van het Nieuwe Leren het hartgrondig eens en dat is het belang van variëteit. Als diverse scholen de vrijheid krijgen om hun eigen onderwijs te ontwikkelen, ontstaan er vanzelf verschillen. Niet alleen tussen traditionele en vernieuwende scholen, maar ook binnen de vernieuwende scholen. Het Nieuwe Leren is immers een verzamelterm voor allerhande veranderingen. Er zijn scholen die werken aan integratie van vakken, aan teamvorming en intervisie, aan samenwerking met bedrijven en ROC’s, die zich specialiseren in bèta-techniek en ‘junior-colleges’ die samenwerken met het hoger onderwijs. De onderwijsinspectie heeft dan ook geconstateerd dat de variatie nog nooit zo groot is geweest.
In het mbo is de schaalgrootte van de onderwijsinstellingen een belemmering voor diversiteit. Als een grote instelling een uitgesproken onderwijsfilosofie aanhangt komt de diversiteit van de opleidingen in een regio al snel onder druk komt te staan. Wie aan diversiteit hecht, zal de conglomeraten daarom moeten opbreken of openbreken. Daarnaast moet er meer kennis komen over welke vernieuwing wel en welke niet werkt. Die kennis ontbreekt nu. Het is opvallend dat er in het debat over het Nieuwe Leren voor bijna alle argumenten van de voor en de tegenstanders nauwelijks empirisch bewijsmateriaal bestaat.
In de geneeskunde worden nieuwe medicijnen alleen toegelaten als de werking ervan bewezen is. Dat gebeurt nu in het onderwijs niet. De Onderwijsraad pleit voor deugdelijk opgezette experimenten waarbij de werking van een vernieuwing getoetst kan worden. Het is daarom ook raadzaak om niet allerlei vernieuwingen tegelijk in te voeren, want dan is het onmogelijk om de werking van de afzonderlijke onderdelen te onderzoeken
Binding
In een column getiteld misverstand stelt Leo Prick dat hij in tegenstelling tot wat mensen denken helemaal niet tegen elke innovatie in het onderwijs is. Hij keert zich wel tegen de tendens om veranderingen door te voeren zonder de mensen uit de praktijk daarbij te betrekken.”Geen enkele vernieuwing kan slagen als de mensen die moeten uitvoeren er geen vertrouwen in hebben.”
Bijna tachtig procent van de Nederlandse bevolking verwacht dat in 2020 het zogeheten Nieuwe Leren op de basis- en middelbare scholen is ingevoerd, zo blijkt uit het laatste rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Slechts 29 procent vindt dit wenselijk.
Leerlingen gaan niet alleen naar school omdat ze zo geïnteresseerd zijn in de lesstof, maar omdat ze zich verbonden voelen met medeleerlingen. Wie schooluitval wil tegengaan moet zorgen dat leerlingen niet alleen binding voelen met elkaar, maar ook met de school. Een grootschalige, anonieme bureaucratische organisatie van het onderwijs is desastreus voor deze binding. Individuele aandacht is noodzakelijk. Dat kan zowel in traditioneel als in vernieuwend onderwijs, maar het stelt wel eisen aan de school. Een te grote zelfwerkzaamheid is slecht voor de binding met de school.
Niet alleen leerlingen moeten die binding ervaren, maar ouders ook. Kees Beekmans gelooft dat het op zijn praktijkschool alleen wat wordt als ook de ouders bij de school worden betrokken. Als scholen er niet in slagen om docenten, ouders en leerlingen aan zich en aan elkaar te binden, zal Nederland nog lang de Europese koploper schooluitval zijn en komt er weinig terecht van die veel geroemde kenniseconomie
Tot zover een lange reeks citaten. Wat daarbij opvalt is dat het centrale verwijt niet wordt weerlegd: de kennisoverdracht is als centraal thema uit het onderwijs verdwenen. Het niveau van kennis is fors gedaald zonder dat er aantoonbaar nieuwe vaardigheden voor in de plaats zijn gekomen, althans geen vaardigheden waar de scholen krediet voor kunnen claimen. Wat de leerlingen aan vaardigheden blijken te bezitten die hun grootouders in de vijftiger jaren niet hadden, lijkt eerder een gevolg van de educatie door televisie, internet en andere media dan door het Nieuwe Leren.
Tussen de regels door wordt in het verhaal van Hilhorst de teloorgang verklaard door de wijzigingen in de schoolbevolking. De leerlingen zouden geen interesse meer hebben in zuivere kennisoverdracht en de aandacht en discipline niet meer kunnen opbrengen om kennis tot zich te nemen. Dat is geen onzinnig argument. De schoolbevolking is, in de vijftig jaar dat de hervormingen nu bezig zijn, drastisch veranderd. Niet alleen door de massale immigratie, maar ook door de belangrijke culturele wijzigingen in de samenleving die in de zestiger jaren en daarna hun beslag hebben gekregen. Van de andere kant valt niet uit te sluiten dat de verminderde functie van de school op haar beurt een belangrijke invloed heeft gehad op het gedrag van de schoolbevolking en intussen ook op de samenleving.
Als gevolg van de leerplicht volgen veel jongeren onderwijs tegen hun zin. Door de individualisering van de ouders en het daarmee samenhangende verdwijnen van het gezin en de familie als primair leefmilieu voor de kinderen, is de omgeving niet meer aanwezig om aan de kinderen de noodzakelijke discipline bij te brengen. We hebben de leraren de middelen afgepakt om de orde tijdens de lessen te handhaven en aandacht waar nodig af te dwingen. Het wegsturen van onhandelbare kinderen kan alleen met medewerking van de directie. Die medewerking lijkt vaker niet dan wel aanwezig te zijn. Andere middelen om de discipline te handhaven in een klas met ongezeglijke kinderen dan het overwicht van de leraar, zijn er eigenlijk niet. In deze nieuwe omgeving zouden de oude methoden van lesgeven, zoals die vóór de Mammoetwet in gebruik waren toch niet te handhaven zijn geweest. Maar de hervormingen hadden anders gekund, zoals bijvoorbeeld Finland heeft laten zien.
De maatschappelijke veranderingen zijn verzachtende omstandigheden die in aanmerking moeten worden genomen bij het beoordelen van de ontwrichting van het onderwijs. Vast staat wel dat de hervormingen, die gecumuleerd zijn in Het Nieuwe Leren, het omgekeerde hebben gebracht van wat de bedenkers ervan hadden gehoopt. Het is verwijtbaar dat de invoering van de vernieuwingen heeft plaats kunnen vinden zonder een grondig systeem van proefnemingen over een reeks van jaren. De Partij van de Arbeid en het CDA en een aantal van hun kopstukken zijn daarvoor de eerst verantwoordelijken. Ook de top van het ministerie van onderwijs, de diverse onderwijsraden en de bestuurders van onderwijsinstellingen en vakbonden hebben schuld.
Maar een analyse van wat er is fout gegaan en het aanwijzen van de schuldigen is niet voldoende. Het is alleen een noodzakelijke eerste stap.
Adequaat onderwijs is een plicht tegenover de nieuwe generatie en de basis voor de welvaart van de samenleving. Een deltaplan voor een herstel van het onderwijs is een noodzaak. Het heeft vijftig jaar geduurd voor we beland zijn in deze chaos. Het zal tenminste een generatie kosten voor een herstel kan zijn voltooid. Je moet daar vooral niet licht over denken. Het ontbreekt nu aan goed opgeleide leraren, aan goede leerplannen, aan een behoorlijke schoolorganisatie, aan bekwame schoolleiding en vooral aan ideeën hoe het beter kan. Het staat ook wel vast dat een herstelplan voor het onderwijs niet kan worden overgelaten aan degenen die verantwoordelijk zijn geweest voor de bestaande situatie. Een vervanging van de ambtelijke top en van de besturen van de megascholen is een noodzakelijke tweede stap, een logische conclusie ook uit het rapport Dijsselbloem. Een commissie die – waarom niet- weer door Dijsselbloem zou kunnen worden voorgezeten, zou aan de kroon advies kunnen uitbrengen voor hun vervanging. De volgende gedachten zouden stof tot overdenken kunnen vormen bij het ontwerpen van een onderwijs deltaplan
1. Vindt een Thorbecke om van alle ideeën die bij U opkomen een samenhangend plan te maken; iemand die bovendien over voldoende politiek talent beschikt om voor de invoering ervan maatschappelijk draagvlak te vinden. Bedenk dat de politieke partijen veel van hun krediet bij de bevolking hebben verspeeld.
2. Overweeg op politiek niveau wat hogere prioriteit hoort te hebben, kennisoverdracht, opvoeding tot maatschappelijke verantwoordelijkheid, de best mogelijke ontwikkeling van de bij de jeugd aanwezige talenten of een gelijkmatige verdeling over de bevolking van kennis, inkomen en vermogen.
3. Overweeg dat groepsgedrag een belangrijke rol speelt bij alle activiteiten in het onderwijs en dat de belangen van een groep tegenstrijdig kunnen zijn aan de belangen van sommige individuen uit de groep. Bepaal wat hierbij prioriteit moet krijgen. Maak verwijdering van school van onhandelbare leerlingen mogelijk als U het belang van de meerderheid voorop stelt en pas zo nodig de leerplichtwet daarvoor aan. Maak zo coherent mogelijke groepen, zodat het groepseffect zo min mogelijk de belangen van individuele leerlingen schaadt.
4. Overweeg aparte scholen voor moeilijk opvoedbare leerlingen ongeacht de daaraan verbonden kosten. De benefits voor reguliere scholen zullen groot zijn. Accepteer dat de schoolopleiding van de moeilijk opvoedbaren minder dan optimaal zal blijken te zijn
5. Probeer niet meteen alle bestaande scholen te veranderen. Dat gaat niet lukken. Richt proefscholen op en start voor die scholen een nieuwe lerarenopleiding op de universiteiten. Biedt de nieuwe leraren een adequate beloning en werkomgeving.
6. Beperk de proefscholen niet tot het middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs, maar maak ook nieuw ambachtscholen en verschaf die scholen leraren van een vergelijkbare kwaliteit als die van de nieuwe gymnasia.
7. Breid het aantal proefscholen en lerarenopleidingen uit als het succes ervan is aangetoond. Geef leraren uit de bestaande scholen de kans om met bijscholing op de nieuwe scholen terecht te komen. Laat de oude scholen afsterven naarmate er nieuwe beschikbaar komen. Bereid U erop voor dat dit proces tenminste een generatie gaat duren en mogelijk langer.
8. Bepaal de maximum grootte van scholen op acht honderd leerlingen, schaf het bestaande professionele management van scholen af en laat scholen besturen door leraren met bewezen geschiktheid.
9. Financier de scholen zoveel mogelijk met schoolgeld dat door de ouders moet worden opgebracht. Stel ruimhartig beurzen beschikbaar aan wie de wil en de capaciteiten heeft om een opleiding te volgen maar van wie de ouders niet over de nodige middelen beschikken. Aan gratis onderwijs wordt weinig waarde gehecht. Beperk de leerplicht tot de basisschool maar laat de wens van kinderen om voortgezet onderwijs te volgen en het advies van leerkrachten prevaleren boven een besluit (of de besluiteloosheid) van de ouders. Als ouders en kinderen zelf bepaald geen verder opleiding wensen probeer dan geen ijzer met handen te breken.
10. Laat de jeugdzorg kinderen faciliteren van wie de ouders het bij hun scholing laten afweten. Pas de bestaande jeugdzorg aan op deze nieuwe taak.
11. Maak niet de fout om bij de reorganisatie van het onderwijs terug te keren naar de status quo ante. Dat gaat niet lukken en zou bovendien onwenselijk zijn. Zo goed was het schoolsysteem van vijftig jaar geleden niet en de technische mogelijkheden zijn nu veel groter dan toen. Houd rekening met wat leerlingen aan kennis en vaardigheden buiten school opdoen en bouw daarop voort.
12. Onderzoek grondig waar in het buitenland het schoolsysteem goed functioneert en wat daarvoor de redenen zijn. Neem alleen over wat ook bij de maatschappelijke situatie in Nederland past en doe dat met achtneming van de verschillen.
13. Geef aan kinderen die met achterstanden aan opleidingen beginnen waarvoor ze overigens wel de capaciteiten hebben separaat bijscholing, bij voorkeur in een schakelklas.
14. Financier het onderwijs, voor zover het niet door de ouders wordt betaald, uit een speciaal daarvoor te heffen belasting, bijvoorbeeld uit opcenten op de loonbelasting. Dat zou de absolute maatschappelijke prioriteit recht doen, die het onderwijs behoort te hebben en het onderwijs niet langer slachtoffer maken van de bezuinigingen die elders bij de overheid moeten worden doorgevoerd.
Er zijn vast nog wel andere ideeën die een rol zouden kunnen spelen bij de onderwijsvernieuwing en het zou goed zijn als die ideeën door zoveel mogelijk mensen met ervaring en inzicht in het onderwerp worden bediscussieerd voor men aan de hervormingen begint. Het zal zeker nodig zijn dat de hele Nederlandse bevolking doordrongen raakt van het belang van deze discussie, voor er politieke besluitvorming komt. De gevolgen voor de samenleving zijn majeur en de kosten hoog. Geen politicus kan zich veroorloven hierover besluiten te nemen zonder draagvlak bij de bevolking.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Nederland, onderwijs. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s