Hikmat Mahawat Khan.

Deze voorzitter van een Haagse islamitische vereniging betoogde veertien jaar geleden in het NRC Handelsblad[1] dat taal niet de belangrijkste barrière vormt voor de integratie van allochtonen. Hij beargumenteerde zijn stelling door er op te wijzen dat Surinamers moeite met integreren hadden toen ze hier pas aankwamen in de zeventiger jaren, ondanks het feit dat ze goed Nederlands spraken. De Turken en Marokkanen die in diezelfde tijd deze kant opkwamen en de taal niet spraken veroorzaakten toen naar zijn mening veel minder moeilijkheden dan de Surinamers en ook minder dan hun nakomelingen van de tweede en latere generaties die intussen wel goed Nederlands spreken.
Dat die latere generaties niet integreren, vervolgde hij, komt omdat er – kort samengevat – tegen hen wordt gediscrimineerd. Hij claimde voor de nieuwe Nederlanders en voor hun afwijkende cultuur dezelfde rechten als voor de oude Nederlanders en vond dat integratie van twee kanten moest komen.
Het zijn, weer kort samengevat, vooral de oude Nederlanders die zich aan de nieuwe situatie niet aanpassen en zo de vooruitgang tegen houden. Geen slecht stuk vond ik het. Integendeel, al kan ik het niet met hem eens zijn, ik vond het een mooi betoog en heb het onthouden.

Dat taal niet de enige barrière vormt is zeker juist. Cultuur en religie kunnen even zeer hinderpalen zijn voor onderling begrip. In het midden latend of de Surinamers van de zeventiger jaren nu zulk goed Nederlands spraken, het is zeker waar dat er integratieproblemen waren. Integratieproblemen zijn er ook met veel Marokkaanse jongeren van de tweede en derde generatie. Die zijn er ook, maar minder, met Turkse jongeren.
Logisch staat daarmee nog allerminst vast dat taal niet de belangrijkste hinderpaal kan zijn op weg naar integratie. Zonder een gemeenschappelijke taal, dat staat wel vast, is integratie niet mogelijk. Maar als men integreren wil komt die taal vanzelf.
In dit verband moet worden vastgesteld dat geen moeilijkheden veroorzaken niet hetzelfde is als integreren. Het is andersom eigenlijk, integreren veroorzaakt noodzakelijk wrijvingen.
Wat de voorzitter wilde betogen, geloof ik, is dat ten onrechte de eis gesteld wordt dat de communicatie tussen oude en nieuwe Nederlanders in het Nederlands plaats vindt. Dat voor integratie communicatie nodig is en voor communicatie een gemeenschappelijke taal, dat bestrijdt hij niet en dat valt naar ik meen ook moeilijk te bestrijden. Blijft over de mogelijkheid dat de oude Nederlanders de taal van de nieuwe zouden moeten gaan leren of dat er een soort gemeenschappelijke ‘creoolse’ taal moet worden gecreëerd.

Dat is ook daarom niet zo eenvoudig omdat de allochtonen van de tegenwoordige generatie uit zo veel taalgebieden afkomstig zijn. Alleen al de Bijlmer telt meer dan vijftig verschillende talen en de enige talen die ze allemaal min of meer lijken te spreken zijn het Nederlands en de wereldtaal Engels. Het is dus ook voor de communicatie tussen nieuwe Nederlanders onderling dringend nodig dat de kennis van deze twee talen wordt verbeterd en vooral van het Nederlands, want dat is nodig voor een ander punt op het verlanglijstje van de voorzitter: het veroveren van de betere banen en posities in de samenleving.

De bestaande organisaties in Nederland, commercieel, bestuurlijk en anderszins, draaien allemaal op het Nederlands en wie het niet beheerst kan zijn aandeel niet leveren. Dat is geen kwestie van discriminatie en het Berbers of het Pakistaans minderwaardig vinden, maar het is een kwestie van efficiency. Een gemeenschappelijke taal is noodzakelijk, die is hier op het ogenblik het Nederlands en een duidelijke reden om hem in te wisselen voor een andere is er niet. Wie mee wil doen moet zich dus wel aanpassen.

Ik betwijfel ook of de voorzitter gelijk heeft als hij meent dat het merendeel van de Nederlandse bevolking vindt dat haar samenstelling uit de vijftiger jaren nog steeds de norm behoort te zijn. Ik zelf heb de laatste twintig jaar van mijn werkzame leven verkeerd in een organisatie met een qua etnische achtergrond heel diverse samenstelling. Aan het accent was soms nog vaag te horen waar deze of gene vandaan komt maar dat gold ook voor mij die in 1958 mijn geboorteland Limburg heeft verlaten om in Amsterdam te gaan studeren. De advocaten en secretaresses van Indonesische, Surinaamse, Antilliaanse, Turkse of Marokkaanse achtergrond op mijn advocatenkantoor werden op hun capaciteiten beoordeeld en waren zo geïntegreerd dat niemand zich in de dagelijkse praktijk hun etnische achtergrond realiseerde. Hun persoonlijke kwaliteiten en hebbelijkheden waren belangrijker. Dat kan ook moeilijk anders want op een advocatenkantoor moet worden gepresteerd. Wie daar niet aan mee doet is geen blijvertje.

Ik denk dat dit het doel is van iedere integratie: mensen moeten niet worden afgeserveerd op hun etnische, religieuze en culturele herkomst. Die mag best blijken uit hun kleding, hun accent of hun uiterlijk, maar die dienen dan uitsluitend als achtergrond. In de dagelijkse omgang moeten in de eerste plaats persoonlijke kwaliteiten de doorslag geven. Daarvoor is nodig dat iedereen goed Nederlands spreekt en zijn religie plus de normen en waarden van zijn ouders en van hun geboorteland bewaart voor de privésfeer. Een samenleving kan niet bestaan uit bevolkingsgroepen die elkaar voorbij varen als schepen in de nacht en elkaar dus zoveel mogelijk negeren. Samenleven is samenleven en daarvoor hebben we continu contact nodig met een gemeenschappelijke taal en cultuur. Dat allochtonen hun eigen inbreng in die gemeenschappelijkheid mogen hebben is duidelijk, maar dat wij Berbers zouden moeten gaan spreken of moslim zouden moeten worden is echte onzin.

Sommigen van ons doen niettemin alsof. Ik had een kantoorgenoot, op wie ik gesteld was, die met een allochtone vrouw getrouwd is uit een islamitisch land en die om haar te plezieren moslim geworden is. Hij weet van die godsdienst niets, doet er in de praktijk ook niets aan, maar heeft dit formele gebaar over voor zijn vrouw, die zijn overgang, naar ik begrijp, erg heeft gewaardeerd. In geen enkel aspect dat voor een buitenstaander waarneembaar is, heeft zijn bekering zijn leven veranderd. Niet op de manier van Saulus voor de poorten van Damascus, maar ook niet in kleine en onbelangrijke aspecten. Als mensen op die manier mohammedaan worden of blijven kan niemand daar bezwaar tegen hebben, die zelf niet tot die religie behoort, maar ik kan me niet voorstellen dat dit het soort tegemoetkoming is van de autochtone bevolking die Hikwat Mahawat Khan voor ogen staat.

Organisaties en leefgemeenschappen op etnische grondslag zijn uit den boze. Zij leiden tot segregatie en discriminatie. Kerken en religieuze organisaties kunnen we helaas om verdrag-technische en grondwettelijke redenen niet verbieden, al vormen zij een ernstige hinderpaal bij de integratie. We moeten ons best doen om ervoor te zorgen dat deze invloedrijke culturele instituties geen onoverkomelijk barrière vormen voor de leefbaarheid van ons land voor onze nieuwe landgenoten. Daarvoor is het nodig dat we hun invloed op het publieke leven zo veel mogelijk terugdringen. Het blind ondersteunen van iedere godsdienstige en etnische organisatie, zoals dat een tijd lang hier de mode was, heeft naar we kunnen constateren de integratie alleen maar tegengewerkt en de zo betreurenswaardige multiculturele[2] samenleving bevorderd. Nu zitten we met de gebakken peren.

[1] 3 Juni 2003

[2] Een samenleving die in verschillende culturen uiteen gevallen is

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in beschaving, geloof. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s