Goed en slecht.

Ik ken Dick Swaab niet en heb ook dat eerste boek van hem niet gelezen, wij zijn ons brein. Ik ken wel zijn zus Els. Zij was indertijd stagiaire bij Boekel, Van Empel en Drilling, een bevriend kantoor wat verderop, toen ik begin zeventiger jaren samen met iemand anders kantoor hield aan het Vondelpark in Amsterdam.
Een ernstige en bekwame vrouw was ze toen al, die Els Swaab, Ze leek een beetje op mijn oudere zus en die broer leek me, uit de verte dan, want ik ken hem niet persoonlijk, wat vrolijker en wat slordiger, iets wat ik zelf ook wel ben.
Hoe dan ook, dat het ethische – en waarschijnlijk het verwante esthetische – gevoel primair is en niet herleidbaar tot iets anders, was een eeuw geleden al een observatie van de Engelse filosoof G.E. Moore en hij kwam met een aardig en overtuigend gedachte-experiment om het te onderbouwen.
Zolang je kunt zeggen ‘het is nuttig, maar is het goed’ of ‘het is bevorderlijk voor de samenleving, maar is het goed’ vallen die twee elementen in de vergelijking niet samen. Het blijkt dat je dit bij het begrippenpaar goed/slecht eigenlijk altijd kunt blijven volhouden – en bij mooi/lelijk ook[1].
Vertaald in biologische termen betekent dit dat mooi en lelijk, goed en slecht genetische begrippen zijn en dat met hersenonderzoek daar meer over uit te vinden moet zijn. Met name misschien ook over de onderlinge verwantschap tussen mooi en goed, iets wat me persoonlijk zou interesseren.
Het hebben van ethische oordelen hoort tot het arsenaal van sociale eigenschappen dat mensen hebben en dat ze geschikt maakt om in hun samenlevingen te opereren en die in stand te houden. Maar dat vermogen, dat ik wel eens de ethische faculteit heb genoemd, is niet het enige wapen in de sociale strijd en het kan onder omstandigheden ook voordelen hebben om het te missen. Een generaal in oorlogstijd is waarschijnlijk beter af met een oordeelsvermogen waarin alleen feitelijke componenten een rol spelen en geen normatieve. Tandartsen misschien ook wel.
Onze grootste filosofen, zoals Kant en Hume hebben altijd gewaarschuwd tegen het door elkaar heen laten lopen van feitelijke en normatieve oordelen. Het betekent, kort samengevat, dat een mens die verantwoordelijkheid draagt zijn besluiten baseert op zijn feitelijke oordeel maar dat oordeel normatief toetst voor hij ze uitvoert. Een generaal heeft daar op beslissende momenten geen tijd voor en de grootste onder hen, zoals Alexander de Grote en Julius Caesar deden het dan ook puur feitelijk. Alexander had wel ethisch vermogen, als we zijn biografen mogen geloven, maar Caesar had daar duidelijk geen last van.
Het missen van de ethische faculteit is een grote handicap, maar als iemand het met een overdosis intelligentie kan compenseren is het onder omstandigheden een voordeel.

[1] De oude Grieken hanteerden het begrip kaloskagathos, wat goed en mooi betekent en waarbij de twee begrippenparen als het ware samenvloeien. Dat zegt iets over de Griekse ethiek, waarvan de culturele component anders was dan bij de Joden.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in ethiek, herinneringen. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s