Pieter Hilhorst en Hanny Kunst.

Pieter Hilhorst is een rara avis, een zeldzame vogel. Hij is Waterlander. Dat wil niet zeggen een traan of een huilebalk, maar lid van de denktank Waterland. Die denktank is afkomstig uit een luxe forensengebiedje ten Noorden van Amsterdam. Het gaat om het gebied tussen Landsmeer, Ilpendam en Monnikendam, waarvan Broek in Waterland het centrum vormt.
Die denktank steunde de PvdA, de partij die ons verdeelt in oude en nieuwe Nederlanders. Zij deed dat omdat de term allochtoon ongunstige associaties blijkt te hebben, maar er toch over de twee bevolkingsgroepen gesproken moet kunnen worden.
Hilhorst is eigenlijk iemand die het om de inhoud gaat en niet om de verpakking en die dat waarschijnlijk allemaal onzin vindt, maar zoiets dan ook weer niet zeggen zal.
Hij is een zeldzaamheid als linkse oude Nederlander omdat hij onderhoudend schrijft in leesbaar Nederlands. Hij heeft ooit samen met iemand anders, van wie ik de naam vergeten ben, een uitgebreid verhaal geschreven over de ontwikkelingen in het onderwijs. Dat was toen voor het eerst dat ik begreep waar het nieuwe leren over ging of in elk geval waar het over bedoelde te gaan.
In De Volkskrant van 17/2/09 schreef hij over het idee van de e.t. Nijmeegse wethouder Hanny Kunst om de lokale scholen te integreren. Dat was een pleidooi met voorbehoud. De Nijmeegse scholen hadden, net als scholen in Amsterdam, de neiging om te segregeren in witte en zwarte scholen. Dat kwam omdat gekleurde en blanke ouders, als ze mogen kiezen, een voorkeur blijken te hebben voor scholen van de eigen stempel, waarin het milieu waarin de kinderen les krijgen aansluit op het milieu van het ouderlijk huis. Pieter Hilhorst noemde dat een vorm van apartheid in het onderwijs, een collectief wangedrocht, waartegen je als overheid legitiem op kunt treden.
Die stelling onderbouwde hij niet verder en dat vond ik jammer. Ik verkeer in de veronderstelling dat het nog steeds een recht van de ouders is om te bepalen welk soort onderwijs hun kinderen krijgen. De grondwet zegt er het volgende over:
Art. 23.
-1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.( De overheid betaalt het onderwijs ongeacht of zij de school zelf heeft opgericht en bestuurt en ziet toe op de kwaliteit)
-2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, één en ander bij de wet te regelen.( Iedereen mag zelf scholen oprichten met de religieuze of levensbeschouwelijke achtergrond van zijn keuze, mits de leerkrachten aan bij wet te stellen normen voldoen)
-3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld. (Ook het openbare onderwijs houdt rekening met de levensovertuigingen van de leerlingen en hun ouders, ondermeer door godsdienstonderwijs te organiseren als daar vraag naar is)
-4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school. (Als er onvoldoende vraag is naar openbaar onderwijs mag bijzonder onderwijs ook, zolang dat met afwijkende levensovertuigingen rekening houdt)
-5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting. (De controle op de kwaliteit van het onderwijs hoort deugdelijk te zijn zonder dat dit gaat ten koste van de levensovertuiging van de betrokken bijzondere school)
-6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd. (de kwaliteit van het bijzonder en het openbaar onderwijs hoort hetzelfde te zijn, zonder dat het recht van het bijzonder onderwijs wordt aangetast op het kiezen van eigen onderwijskrachten en leermiddelen)
-7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend. (Het bovenstaande geldt ook voor het bijzonder algemeen vormend onderwijs. De bekostiging uit de algemene middelen van deze vorm van onderwijs en van de bijzondere middelbare scholen en gymnasia worden bij wet geregeld)
-8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.( ( de regering stelt de Kamer in de gelegenheid er jaarlijks op toe te zien dat de overheid zich aan de bovengenoemde verplichtingen houdt).
Artikel 23 betekent dus, kort samengevat, dat de ouders als ze dat wensen zelf het hun passende onderwijs voor hun kinderen kunnen kiezen en dat de overheid dat hoort te faciliteren. Dat impliceert dat moslimouders hun kinderen naar scholen kunnen sturen met een moslimachtergrond en niet-moslims naar scholen zonder moslimbeïnvloeding. Beïnvloeding kan een kwestie van leerkrachten zijn maar ook van leerlingen.
Witte en zwarte scholen, in de praktijk moslim- en niet-moslimscholen zijn een grondwettelijk recht als de ouders daar voor kiezen. De taak van de overheid is om te zorgen voor de deugdelijkheid en voor het overige mogen de ouders zelf bepalen welk soort scholen er komen en waar ze hun kinderen heen willen sturen. Zo wil de wet het en dat de overheid daarin op ideologische gronden zou mogen ingrijpen, dat staat nergens. Er was niets legitiems aan het voorstel van Hanny Kunst dus. Dat hield namelijk in dat het uiteindelijk de overheid is die bepaalt naar welk soort school de kinderen gaan en niet de ouders.
Mevrouw Kunst mag het om haar moverende redenen onjuist vinden dat ouders voor hun kinderen een schoolomgeving kiezen waar ze “onder ons zijn”. Voor haar standpunt is ook wel wat te zeggen, met name als dat tot gevolg heeft dat de apartheid van de ouders op die manier gecontinueerd wordt in de volgende generatie.
Maar dat wil nog niet zeggen dat het juridisch of ethisch verantwoord zou zijn om kinderen tot het instrument te maken van een gedwongen integratie. Het is duidelijk dat de wens van de PvdA om oude en nieuwe Nederlanders te integreren dient te worden afgewogen tegen de grondwettelijke rechten van de ouders. Wanneer die afweging door de overheid wordt gemaakt zal zij nooit mogen leiden tot een overheidsbeleid dat strijdt met de letter of de geest van de grondwet.
Het zijn de achtereenvolgende regeringen geweest waar sympathisanten van Hanny Kunst en Pieter Hilhorst deel van uitmaakten, die de apartheid hebben laten ontstaan in de samenleving, die zij nu willen bestrijden. Het gaat niet aan om die segregatie nu over de ruggen van de kindertjes weer ongedaan te maken. Gelukkig ziet Pieter Hilhorst dat ook wel in. Hij heeft naast waardering ook kritiek op de aanpak van Kunst.
Stel U wilde Uw kind naar een katholieke basisschool sturen. Bij voorkeur een waar het andere kinderen aan zal treffen die thuis katholiek worden opgevoed. Dan had U in Nijmegen de keuze uit vier basisscholen. U zou ze alle vier moeten gaan bekijken om te controleren of de leerlingen inderdaad nog in meerderheid katholiek waren, want zeker was dat niet. Zelfs de schoolleiding en het onderwijzend personeel was niet altijd meer de religie of andere levensovertuiging toegedaan die naam en statuten van de school suggereren. Maar hoe dan ook, Uw lijst bestond niet uit zes maar uit vier katholieke scholen. U moest er niettemin twee andere aan toevoegen. Mevrouw Kunst zou bepalen welke zes scholen het werden, ongeacht de rangorde van Uw voorkeur. Als er naar een bepaald type school meer vraag was dan aanbod, dan zou dat tekort niet bepalend zijn voor het in Nijmegen te voeren onderwijsbeleid. Dat beleid was niet gericht op de wens van de ouders, ook niet op kennisoverdracht of welke andere onderwijsdoelstelling dan ook. Mevrouw Kunst, wethouder van onderwijs, jeugd, cultuur en economie voerde integratiebeleid.
Wilde U dus zeker zijn dat Uw kind terecht kwam op een school van Uw keuze dan moest U uitwijken naar de buurtgemeenten of U had moeten verhuizen. Als katholiek had U nog de mogelijkheid om protestant christelijke scholen op Uw lijst te zetten, gesteld dat U dat een aanvaardbaar alternatief zoudt vinden, maar de meeste levensovertuigingen hadden die mogelijkheid niet. Ook als er wel een school van de soort die zij wensten aanwezig was konden hun kinderen gestuurd worden naar een school die zij beslist niet wensten, maar die zij op hun lijst moesten zetten. Een kortere lijst dan zes was geen optie. Die werd dan door Mevrouw Kunst aangevuld tot zes. Dat is in strijd met de grondwettelijke rechten waar ooit de schoolstrijd voor is gestreden en waarvoor de CU en CDA zich in het kabinet hadden sterk gemaakt. Bovendien, we hebben het hier alleen nog over de basisscholen gehad, voor het voortgezet onderwijs lag het allemaal nog moeilijker.
Pieter Hilhorst zag deze bui hangen en hij raadde in zijn artikel Mevrouw Hanny Kunst aan om het anders te doen. Geef voorrang, zei hij, bij de plaatsing van leerlingen, aan duo’s bestaande uit een nieuw en een oud Nederlands kind die zich gezamenlijk voor een school van keuze aanmelden.
Ik vond dat wel een aardig idee, vooral ook vanwege de bijkomende effecten. Ouders die een goede school willen voor hun kinderen worden op deze manier gedwongen om over de kleurbarrière heen met elkaar kennis te maken. Het ligt voor de hand dat vooral de meer begaafde ouders uit beide kleuren dat zullen doen en dat we langs deze weg een nieuwe en gemengde oud-nieuwe Nederlandse elite gaan creëren. Ik was daar wel voor, maar ik wijs erop dat bij deze categorie ouders niet direct de problemen liggen. De aanhangers van Wilders komen overwegend uit de laagst opgeleide groep oude Nederlanders en ook de nieuwe Nederlanders die het meest beïnvloedbaar zijn door de imam zullen aan dit experiment niet mee doen. De integratie van de twee groepen die nu lijnrecht tegenover elkaar staan in de samenleving wordt met het idee van Hilhorst niet gediend. Mevrouw Kunst die bepaald geen intellectueel is, maar wel een politica, zal niet in de val trappen en het plan van Hilhorst laten voor wat het is. Maar zij kwam daarmee in strijd met de grondwet en bij de jaarlijkse begroting van onderwijs had een Kamermeerderheid die wel hecht aan artikel 23 van de Grondwet daar de regering op aan horen te spreken. Maar andere onderwerpen hadden kennelijk een hogere urgentie.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in allochtonen, ideologie, maatschappelijk, onderwijs. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s