Markten en andere abstracties.

Economen en sociologen, menswetenschappers die tegenwoordig de politiek adviseren, laten zich graag door hun eigen abstracties op sleeptouw nemen. Ze zouden er beter aan zouden doen zich te blijven realiseren waar die abstracties voor staan. Waar ze het, met andere woorden, over hebben. Een voorbeeld zijn de economen van de luchtvaartmaatschappijen die op hun computerschermen ‘veilig’ zagen staan bij het overvliegen van het oorlogsgebied in de Oekraïne. De Oekraïense luchtverkeersdienst had geen reden gezien de kwalificatie te veranderen.
Maar neem ook het begrip markt. Adam Smith beschrijft een vrije markt voor goederen en diensten met veel marktpartijen, zowel aan de vraag als aan de aanbodzijde, met een bij iedereen aanwezige marktkennis en met een onbelemmerde toegang. Zo’n markt zorgt voor een efficiënte prijsvorming en voor een optimale allocatie van resources.
Dat begrip markt is knap gevonden, maar het is theoretisch. Het probleem ermee is dat het zich maar zelden in deze ideale vorm voor doet. Vaak zijn er te weinig aanbieders of te weinig vragers of werken ze onderling samen om de prijs te beïnvloeden. Soms komt de vraag op een ander tijdstip dan het aanbod en zijn er geen middelen om het tijdsverschil te overbruggen. Ook komt het voor dat er wel vraag is maar geen koopkrachtige vraag of dat de kwaliteit van vraag en aanbod zo uiteenloopt dat er helemaal geen echte markt ontstaat. Om te voorkomen dat men van “de markt” een ideologisch in plaats van een werkzaam begrip maakt moet men zich goed realiseren over welk soort markt men het heeft. Politici en hun adviseurs doen dat maar zelden.
Natuurwetenschappers en andere bèta mensen zullen zich altijd blijven afvragen of hun abstracties wel geoorloofd zijn en of ze niet beter met andere modellen kunnen gaan werken als het bestaande model te vaak en te veel van de werkelijkheid afwijkt. Dat is anders met menswetenschappers.
Met groot gemak wordt gesproken over markten van overheidsdiensten of over “de aandelenmarkt” alsof alleen dat magische woord zou kunnen zorgen voor een zo gewenste moeiteloze en optimale allocatie van goederen en diensten.
Van de overheidsdiensten is intussen wel bekend dat zij ook na privatisering meestal door een monopolist worden aangeboden en dat zij praktisch gesproken zowel onvermijdbaar als onvervangbaar zijn, zodat in termen van Ricardo en Adam Smith er helemaal geen sprake is van een vrije markt. Juist geen goede allocatie van resources en alle aanleiding om te vrezen voor het ontstaan van woekerwinsten en inefficiëntie.
Maar ook de aandelenmarkt, de beurs dus, werkt vaak helemaal niet zoals Adam Smith zich dat had voorgesteld. Beursgenoteerde fondsen kunnen door emissies goedkoop geld verwerven. Om een emissie te laten slagen is het meestal niet eens nodig dat een bepaalde relatie tussen koers en dividend wordt gehandhaafd, maar alleen dat de bedrijfswinst na de emissie op peil blijft. Sommige fondsen hebben een veel hogere koers/winstverhouding dan andere. Officieel omdat hun winstverwachting op termijn hoger is, maar in de praktijk omdat ze bij de beleggers populair zijn om heel uiteenlopende redenen. Veel beleggings- en pensioenfondsen willen bijvoorbeeld een bepaalde spreiding hebben in hun aandelenbezit. Ze willen voor een deel van hun beleggingen in de voedingsindustrie zitten en binnen de voedingsindustrie naast de Procter and Gamble-achtigen bijvoorbeeld ook een of meer broodproducenten in portefeuille hebben. Bij voorkeur ook nog uit Europa of Amerika of een andere bepaalde regio. Grote beleggers kunnen zich geen aandelen in kleine fondsen veroorloven, want dan beïnvloedt de transactie zelf de koers te zeer en kloppen de formules niet meer. Als er nu maar één bakkerijconcern groot genoeg is in de regio om in het pakket van de grote beleggers terecht te komen, dan doet dat fonds een agio. De koers/winstverhouding en de beurswaarde is dan meteen een stuk beter dan die van andere bakkerijen uit dezelfde regio en die worden daardoor een dankbare target voor een overname. De multiple van het grote bakkersconcern is hoger dan de rest en bij iedere overname tegen aandelen wordt meteen grote beurswinst geboekt: de jaarwinst van het overgenomen bedrijf vermenigvuldigd met de multiple van de overnemer, minus dezelfde winst vermenigvuldigd met de lagere multiple van de overgenomen partij.
Zijn die overnames een goede allocatie van resources? Waarschijnlijk niet. De onderlinge concurrentie en de efficiency lijdt eronder. De overnames hebben geen enkele economische ratio en ooit komt de tijd dat de multiple van het populaire fonds inzakt en zich een omgekeerde beweging voordoet. Dan moeten leningen opeens met echt geld worden afgelost en is het monopolygeld van de beurs verdampt.
Dat is in wezen wat we met Ahold hebben zien gebeuren in 2003, maar er zijn veel voorbeelden van te geven. Is de beurs een vrije en doorzichtige markt en dient hij de economie? Je kunt je dat afvragen. Op zijn minst heeft hij naast voordelen ook een macht nadelen. Een van die nadelen is het creëren van dat monopoly geld, waarmee zolang de koersen blijven stijgen geleefd en betaald kan worden alsof het echt geld is, wat het trouwens misschien ook wel is.
Geld is namelijk ook een economische abstractie en de meeste gebruikers van het woord weten niet wat het nu precies voorstelt. Het is een ingewikkeld begrip en zonder daar nu al te diep op in te gaan mag worden aangenomen dat zowel effecten als hun derivaten een vorm van geld zijn. Dat betekent dat alle beursgenoteerde fondsen niet alleen het geld vertegenwoordigen dat op hun balans staat vermeld (gegeven dat die balans een goede weerspiegeling van de vermogenspositie van de vennootschap is, waar wel eens aan getwijfeld kan worden) maar dat daarnaast en daarboven ook hun beurswaarde geld is en dat van hun derivaten ook..
Is dat niet dubbel op of tripel? zult U zich afvragen en het antwoord is ja, dat is zeker dubbel en het maakt onder meer de beheersing van de economie door de overheid middels de politiek van haar centrale bank illusoir. Het is een hoeveelheid geld waarvan de omvang zich grotendeels aan beïnvloeding door overheden onttrekt, nog los van het internationale karakter van de effectenwereld.
Ik wil hier niet pleiten voor een vergroting van de overheidsinvloed op de economie in het algemeen, maar in de beurswereld zit een potentiële chaos ingebakken waar de gezamenlijk overheden van de Westerse wereld misschien wel iets aan zouden moeten doen, tot nut van het algemeen. Na de ervaring van de bankencrisis en nu er grote economische veranderingen op komst zijn als gevolg van megaverschijnselen als klimaatverandering, uitputting van koolwaterstofreserves en overbevolking, zou een beheersing van dit chaoselement wel eens broodnodig kunnen worden.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in bedrijfsleven, geld en economie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s