Democratie en organisaties.

Een democratische samenleving, zegt Pieter Hilhorst, kan niet bestaan zonder een ontstellende hoeveelheid overleg. Overleg dan te verstaan als vergaderen “met de hele groep”.
Daar zijn twee dingen op aan te merken. In de eerste plaats dat, als dat waar zou zijn, de samenleving pas een jaar of veertig geleden begonnen is, want voor die tijd kenden we dat vergaderen niet zo. In de tweede plaats dat democratie een vorm van regeren is en niet een eigenschap van een samenleving. Het dient om een vreedzame afwisseling van de macht mogelijk te maken en te garanderen dat er niet geregeerd kan worden tegen de uitdrukkelijke wens van de meerderheid in. Wie wil weten wat een samenleving is, die moet er Adam Smith[1] op na lezen, want wat hij schreef is nog altijd niet verbeterd.
Vanwege al de nadelen die de democratie heeft buiten zijn natuurlijke omgeving, nadelen die Hilhorst ook wel noemt, passen we het niet toe in het normale leven, behalve waar dat leven door sociologen wordt beheerst. Vijf uur per week vergaderen doen ambtenaren en welzijnswerkers, maar het gebeurt niet in een voetbalclub of elders in de samenleving waar mensen op hun prestaties worden afgerekend. Ik werkte in een advocatenkantoor, waar de compagnons tegenwoordig zo’n vijfhonderd euro per uur moeten opbrengen. Een vergadering van veertig man van vijf uur kost dan een ton euro en dat is geld, als je het iedere week uit moet geven. Wij huurden mensen in om het managen voor ons te doen. In de tijd dat we nog klein waren en geen geld voor dure managers hadden, deden we het overleg over de maatschap aangelegenheden tijdens de lunch, of vrijdag op de borrel, als we elkaar toch zagen. Twee of drie keer per jaar werd er officieel vergaderd met een behoorlijke agenda van beslispunten, met behoorlijke bijlagen ook. De voorzitter hamerde na tien minuten of een half uur de discussie over een agendapunt af en formuleerde een besluit. Daarover werd dan gestemd. Dat besluit kwam in de notulen en op de besluitenlijst. De volgende vergadering begon met goedkeuring van de notulen (hamerstuk meestal) en een controle of de besluiten waren uitgevoerd. Dat was de meest democratische vorm van onderneming bestuur die ik ken en hij werkte redelijk goed. Beter naarmate de mensen die in het dagelijks bestuur zaten dat besturen beter verstonden, maar ook nog redelijk goed als ze het niet konden. Onzinbesluiten die een incompetent bestuur er wel eens doordrukte werden stilzwijgend niet uitgevoerd, omdat de vergadering het bestuur kon afzetten en het bestuur dat heel goed wist.
Dat een grote organisatie, waarin dagelijks belangrijke besluiten moeten worden genomen democratisch zou kunnen worden gerund, is geen zinvolle gedachte. In het bedrijfsleven gebeurt het niet. Eigenlijk gebeurt het alleen daar waar men zijn geld niet zelf hoeft te verdienen en het is dus een luxe verschijnsel.

Nu lijkt me dat iets dat sociologen zouden horen te weten of in elk geval te onderzoeken. Is het waar wat deze schrijver zegt, dat grote vergaderingen voor het nemen van besluiten niet efficiënt zijn en overigens voor het uitwisselen van kennis en ervaring evenmin? Dat voor het broodnodige overleg andere vormen moeten worden gezocht dan vergaderingen? Zo ja, dan had Karel Van het Reve gelijk dat tijdens zijn werkzame leven er niets belangrijks uit de sociologische wetenschap is voortgekomen, een vermoeden dat door velen met hem wordt gedeeld.

Hilhorst, dat moet hem worden nagegeven, probeert het wel uit te vinden waarom de democratische besluitvorming in de meeste gevallen niet werkt. Hij maakt daarbij de fout dat hij het regeren van een land als het model beschouwt voor het besturen van een doelorganisatie. Hij komt daarom ten onrechte tot de conclusie dat er niets erger is dan een baas die dingen in zijn uppie beslist. De ervaring leert anders. De meeste mensen vinden het juist prettig als een competente baas de dingen regelt. Die competentie brengt mee dat de juiste mensen op tijd geraadpleegd worden, meestal door de baas zelf. Hij bevordert de uitwisseling van kennis en ervaring door degenen die het hebben met degenen die ervan kunnen profiteren de hei op te sturen, of door ze in het gebouw van de organisatie in de buurt van elkaar neer te zetten, zodat ze bij gemakkelijk bij elkaar kunnen binnenlopen. Hij zorgt verder voor de juiste mix van bottom up en top down en maakt niet de fout om een van beide als alleen zaligmakend te beschouwen. Is een baas niet competent dan wordt hij vervangen of gaat het bedrijf failliet.
Deze vorm van organisatie bestond al lang voordat de democratisering toesloeg. In de sectoren waar de Nederlandse welvaart wordt geproduceerd bestaat hij nog.

Sociologie is een wetenschap die volgens Van het Reve en veel andere mensen geen uitspraken doet die voorspellende waarde hebben. De samenleving zou aan niets zoveel behoefte zou hebben als aan wetenschap die zou kunnen helpen bij het oplossen van sociologische problemen. Problemen die zich dagelijks voordoen overal waar mensen op elkaar zijn aangewezen. Maar de sociologie draagt daar niet toonbaar iets aan bij. Het vergaderprobleem is er maar een van. De buraucratisering van de samenleving is een ander. Het is bijvoorbeeld duidelijk dat de omvang van organisaties grote invloed heeft op hun functioneren, maar hoe zit het precies. Wat is de juiste omvang of zijn er meer optima dan één? Dat zijn microproblemen waar geen antwoorden op bestaan. Hoe kun je voorkomen dat een samenleving in brokken uiteenvalt? Een macroprobleem waar Paul Scheffer een boek over heeft geschreven, maar waar de sociologie geen antwoord op weet.

Wie hoort dat sociologen conclusies kunnen baseren op de antwoorden die mensen geven bij interviews op straat of bij het invullen van vragenlijsten, die staat als niet-socioloog verbaasd. Het is geen wonder dat de gemiddelde socioloog niet goed met de statistiek omspringt, want het materiaal waarop hij het toepast is in de meeste gevallen toch ondeugdelijk. Het doet er met andere woorden niet zo veel toe dat hij constateert dat de overgrote meerderheid van mensen in Nederland zich gelukkig noemt en hij tegelijkertijd ziet dat de cijfers van openbare geweldpleging, zelfmoorden en geestesziekte blijven stijgen.

Criminologie is een hulpwetenschap van het strafrecht en een onderdeel van de sociologie. Een criminoloog, ik meen Louk Hulsman, maar het kan ook een andere volgeling van Habermas en Horkheimer zijn geweest, schreef eind zestiger jaren een artikel in het Tijdschrift voor Strafrecht. Daarin beweerde hij dat de stijging van de criminaliteitscijfers een optisch bedrog was, gepleegd door de Telegraaf en andere rechtse media. In werkelijkheid namen volgens hem alleen de publicaties over delicten toe. Want, zei hij, the black numbers in de criminaliteit zijn zo groot, die laten helemaal geen stevige conclusies toe. In dat laatste had hij gelijk, maar het eerste was een slag in de lucht. Ik denk niet dat de Telegraaf zo lang en met zoveel succes over de toename van de criminaliteit had kunnen schrijven als de mensen die niet aan den lijve hadden ondervonden. In dat zelfde tijdschrift stonden jaarlijks cijfers over de misdrijven die ter kennis van de politie waren gekomen, naast cijfers over de opgehelderde misdrijven en de zaken die tot een strafprocedure hadden geleid. In de praktijk werden de cijfers van de eerste kolom van die publicatie gebruikt als “de” misdaadcijfers. Ik las ze een keer en mij viel op dat het jaarlijkse cijfer voor winkeldiefstallen kleiner was dan het cijfer dat ik kort ervoor op een jaarvergadering had gehoord van een grootwinkelbedrijf. Dat waren dan de dervingcijfers van dat ene concern. Dat kon dus niet kloppen. In dat zelfde artikel stond een cijfer over opgeloste helingzaken. De opgeloste zaken overtroffen ruim het cijfer van de zaken die ter kennis van de politie waren gekomen. Dat kan natuurlijk een jaar gebeuren, dat er meer wordt opgelost dan er aan nieuwe zaken binnenkomt en ik heb er dus een aantal eerdere jaargangen op na gelezen. Maar het bleek ieder jaar hetzelfde. Meer opgelost dan ter kennis van de politie gekomen. Ik was toen assistent aan de universiteit en had nog alle tijd. Ik ben op onderzoek uitgegaan bij het politiebureau Rembrandtplein, dat toen nog bestond. De wachtcommandant kon mij helpen. Hij had op zijn bureau een stapeltje formulieren “ter kennis van de politie gekomen”. Dat vulde hij in als de bode van het parket kwam om ze op te halen. Hoeveel het er waren, vertrouwde hij me toe, hing af van hoe druk hij het had. Dus minder vroeg ik, naarmate er meer misdrijven binnen komen? Ja, dat was wel zo dacht hij. En wat die heling betreft, dat zat zo. Als er ooit een heler werd gepakt, wat niet zo vaak gebeurde, dan werden er meestal in een klap een heleboel helingzaken opgelost, waarvan het merendeel nooit in een formulier “ter kennis van de politie gekomen”had gestaan. Dat is de manier waarop in de sociologie materiaal wordt verzameld en op dat soort conclusies wordt beleid gebaseerd.

[1] De inleiding en eerste boek van de Enquiry.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in bedrijfsleven, overheid, zo maar wat. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s