De steenrots.

Dat Jezus van Nazareth ooit gezegd zou hebben ‘gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijn kerk (ecclesia) bouwen’[1] is alleen al daarom onwaarschijnlijk omdat het woord ecclesia in zijn tijd de betekenis van kerk nog helemaal niet had. Joden kenden het begrip niet. Niet als gebouw en niet als instituut. Zij hadden een tempel en verder gebedshuizen, waar de Thora rollen werden bewaard, maar dat waren geen sacrale gebouwen. De joodse godsdienst en het joodse volk vielen samen. Er was geen kerk waar je lid van kon zijn en er waren zeker geen erkende concurrerende kerken of godsdiensten. Wie zich van de godsdienst afkeerde hield op jood te zijn. Het was geen kwestie van doopsel of een ander ritueel en ook niet van een belijdenis. Men volgde de voorschriften en gehoorzaamde het woord van de Godheid. Je werd als jood geboren en een buitenstaander kon zich met wederzijds goedvinden bij de joodse gemeenschap aansluiten. Het is uitgesloten dat Jezus van zich zelf een ander beeld had dan dat van een vrome jood. De woorden van Mattheus 16 zouden niet bij hem zijn opgekomen als daarmee de kerk van Rome zou zijn bedoeld. En wat er anders mee bedoeld kan zijn is een raadsel.
Als Jezus Grieks sprak, wat mogelijk[2] maar niet erg waarschijnlijk is, dan bedoelde hij met ecclesia misschien de groep mensen die op zaterdag voor gebed bijeenkwam in de synagoge.
Ecclesia’s zijn heel lang verzamelingen mensen gebleven en met name dus de verzameling voor het gemeenschappelijke gebed en de gedeelde maaltijd bij de wekelijkse dienst. Het is pas veel later dat men ook de verzameling van alle gelovigen zo is gaan noemen en ook die verzameling was nog geen kerk in onze zin. De verzameling van alle gelovigen was van oorsprong hetzelfde als het Mohammedaanse begrip Oemma. Kerk als in de Kerk van Rome, of in de Grieks Orthodoxe Kerk, een hiërarchische organisatie met veel trekken van een staat, is een veel later verschijnsel. De kerk is pas tot stand gekomen in de tijd van Constantijn de Grote in de vierde eeuw. Toen werd zij gemodelleerd op de Romeinse civiele organisatie. De keizer gaf haar doelbewust een functie bij het bewaren van de eenheid in zijn rijk. Dat was de kerk waar Mohammed zulke terechte bezwaren tegen had omdat zij meer de keizer dan de godheid diende. Dat was een model voor de godsdienst dat hij – te vergeefs overigens – geprobeerd heeft in de islam te vermijden.
De eerste eeuwen was de gemeenschap van christenen een richting in de joodse godsdienst met veel leden van heidense komaf. Ook later nog bleef het vooral een ‘ketterse’ variant van het jodendom. De organisatie van de christenen is heel lang vergelijkbaar gebleven met het joodse synagogensysteem zoals dat nu nog bestaat. Van een kerk in de zin van Mattheus 16 is al die eeuwen lang geen sprake geweest. In de tijd van Cyprianus [3], was de kerk nog steeds een verzameling van lokale gemeenschappen met een grote mate van democratie en van invloed van de gelovigen op vraagstukken van geloof en zeden. De naam ecclesia was nog steeds in gebruik voor de lokale gemeenten van zowel joden als christenen. De verbinding tussen al die christelijke gemeenschappen kwam alleen incidenteel tot stand in concilies. Dat waren vergaderingen die in hoofdzaak dienden voor het op elkaar afstemmen van de ontwikkelingen in de geloofsleer en niet voor het bestuur van een organisatie. Die organisatie kwam pas nadat Theodosius[[4] het lidmaatschap van de kerk in haar trinitaire vorm verplicht had gesteld voor alle Romeinse burgers en hij daarmee andere godsdiensten, inclusief de afwijkende vormen van christendom, zoals de Arianen, buiten de wet plaatste..
In de zevende eeuw toen de islam[5] ontstond als gevolg van het optreden van Mohammed was de kerk een instituut geworden dat zich opstelde tussen de gelovigen en hun godheid. Het was een machtsinstituut dat grote rijkdommen verzamelde en allerhand seculiere functies naar zich toe trok, die alleen nog afgeleid en in de verte met het geloof te maken hadden.
Zoals de ontwikkeling van een richting in het jodendom naar een aparte christelijke organisatie eeuwen in beslag genomen heeft, gebeurde dat ook in de islam. Op gezag van Mohammed noemde men de gebedsgebouwen geen kerk maar moskee en wenste men ook de Oemma niet als een organisatie te zien vergelijkbaar met die van Rome of Constantinopel. De ulama’s waren juristen en geen priesters. De imams gingen voor in het gebed, zoals een dominee. Maar hoe je het ook noemen wil de functie is dezelfde. De kalief was hoofd van de gelovigen en godsdienstige universiteiten zoals die van Cairo genoten groot gezag. De hiërarchie noemde zich anders dan in de Kerk van Rome, maar zij was er wel.
Toen het rond dertienhonderd eenmaal afgelopen was met de politieke macht van de Kalief en de Arabieren en zij onder het juk van de Turken en de Mamelukken terecht kwamen, werd de macht van de godsdienstige leiders groter. Toen gebeurde in de islam exact wat Mohammed had willen vermijden. In plaats van de zelfstandige gelovige die zich vanuit zijn eigen geweten tot God wendde, kwam er tussen hem en zijn God een gebedsvoorganger en een uitlegger van de Hadith en de Koran te staan. Tezamen gaven die aan de moslim en zijn gemeenschap geen haar meer ruimte dan de kerk van Rome gaf aan de gelovige christenen. In de christelijke wereld beperkte de strijd om de voorrang tussen paus en keizer nog in zekere mate de macht van beiden in de middeleeuwen. In de islam ontbrak na de val van de kalief van Bagdad alle weerstand tegen de godsdienstige machthebbers. De islam is een theocratie ook op plaatsen waar seculiere machthebbers de macht hebben ‘geüsurpeerd’. Te doen alsof het anders is, is wishful thinking.

[1] Mattheus 16. 1-20

[2] De Joodse kuststeden in die tijd spraken Grieks net als de Joodse diaspora, maar Galilea, waar Jezus vandaan kwam sprak Aramees net als de delen van Syrië, waar het bestuurlijk onderdeel van vormde.
[3] 200-258 a.D.
[4] 378-398
[5 Mohammed zag de islam niet als een nieuw geloof, maar als de religie die ook de grote joodse profeten hadden aangehangen, waartoe hij behalve Abraham en Mozes ook Jezus van Nazareth rekende. Hij wilde dat geloof evenmin afschaffen en vervangen als Jezus dat wilde, maar wel zuiveren van insluipsels en ongerechtigheden. In de praktijk is hem dat evenmin gelukt als zijn vereerde voorganger.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in geloof, geschiedenis. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s