Frisia non cantat.

De uitdrukking stamt van Tacitus, en komt uit de Germania. Ik had in mijn achterhoofd dat zij van Gregorius de Grote was, die een man was met een goed oordeel en een verfijnde smaak. Naar hem is, naar het schijnt – historisch ook ten onrechte – de prachtige kerkmuziek genoemd uit de Latijnse mis van de Rooms Katholieke Kerk.
Letterlijk vertaald betekent Frisia non cantat “In Holland wordt niet gezongen”, maar ik zou het liever willen vertalen door Hollanders kunnen niet zingen. Onder Hollanders hier te verstaan de Nederlanders die niet uit de Zuidelijke provincies stammen. Dat is trouwens ook niet helemaal waar, want Aafje Heynis en anderen konden best zingen maar er heeft in Noord Nederland heel lang geen volkstraditie van behoorlijk zingen bestaan.
Als klein kind ben ik met mijn moeder ooit naar de eerste preek geweest van een achternichtje, dat beroepen werd in een plaatsje ergens in Groningen. Wij kwamen uit het Zuiden, uit Limburg, waar in de veertiger jaren behalve mijn moeder en een handvol anderen eigenlijk geen protestanten voorkwamen. In de kerk werd in Roermond toen nog iedere week in het Gregoriaans gezongen, dat mij als niet katholiek kind uitstekend beviel.
Mijn Limburgse familie was wel katholiek en in die katholieke kerk kwam ik daarom regelmatig. Wat ik niet zo kon waarderen in hun eredienst was de preek, maar die duurde meestal niet erg lang. De gezangen, het Kyrie, het Gloria, het Credo, het Sanctus, het Benedictus en het Agnus Dei, dat vond ik allemaal prachtig en ik zong ook mee. Ik verstond de tekst wel niet, maar dat gold eigenlijk voor iedereen. Ook de voetgebeden, het Confiteor en andere niet gezongen maar gedeclameerde Latijnse teksten klonken goed en kende ik als jongetje uit mijn hoofd. De meeste ken ik nog.
De dienst waarin die tante preekte was de eerste protestantse dienst die ik ooit had meegemaakt. Niet alleen was de preek drie keer zo lang als in de katholieke kerk, er werd in het Nederlands gezongen, liederen en psalmen, hard, lelijk en vals.
Ik schijn in die kerk in huilen te zijn uitgebarsten. Dat detail herinner ik me niet zo, maar dat ik schrok van het zingen weet ik nog heel goed en ook dat het er koud was, dat de wanden wit waren gepleisterd en er dat er geen beelden stonden.
In de Dominicuskerk in Amsterdam wordt wekelijks een zogenaamde oecumenische dienst gehouden. Die dienst is oecumenisch in zoverre dat ook ex-katholieken tot de gemeente behoren en er in de dienst wekelijks een avondmaal wordt gevierd, wat vroeger in protestantse gemeenten maar een keer per jaar gebeurde. Voor het overige is deze oecumenische dienst protestants, in de zin waarin die mij uit mijn jeugd is bijgebleven. Er wordt lelijke liederen gezongen op teksten van Huub Oosterhuis en melodieën van ik weet niet wie, maar van iemand die wel affiniteit heeft met dat soort teksten.
De Dominicus is een neogotische kerk van Pierre Cuypers, die de peetoom was van mijn katholieke grootvader. Mijn Limburgse opa was een bekeerde protestant. Cuypers was de architect die op een aantal plaatsen in de stad Amsterdam en in Limburg tientallen van dit soort kerken heeft gebouwd, neogotisch maar stijlvol. In Amsterdam zijn ook het Rijksmuseum en het Centraal Station door hem ontworpen.
De kerk is gebouwd op de manier waarop dat sinds de twaalfde eeuw met Latijns christelijke kerken gebeurde. Hoog, met gebrandschilderde ramen, een middenschip, twee zijbeuken en een hoofdaltaar vóór in het midden en met onderlinge verhoudingen die dateren uit een nog vroeger Christendom.
Het hoofdaltaar is in de Dominicus ontmanteld en in plaats daarvan is links in het midden van de kerk een verhoging gebouwd, van waaraf de dienst wordt geleid, met rechts daartegenover een andere verhoging voor het koor en de piano. Ertussen, ervoor en erachter staan banken en stoelen opgesteld, zodat de gelovigen om de predikant heen zitten, in plaats van dat zij in de verte een celebrant bezig zien, zoals dat vroeger het geval was.
De gedachte is geweest om de kerk naar de mensen te brengen, maar daar had men, vind ik, dan maar een ander gebouw voor moeten uitzoeken. Dit hier doet denken aan sommige appartementen die in grachtenhuizen worden gebouwd, en die ik ook als een vorm van architectonische aanranding beschouw.
Wij, mijn vrouw en ik, voelen ons in die kerk niet thuis. Het is niet alleen het gebouw dat wij ons van vroeger zo anders herinneren, de muziek en de onbegrijpelijke teksten, maar ook dat wij ons helemaal niet kunnen verplaatsen in de mensen die dit aantrekkelijk vinden, iedere week.
De voorlezing ging de laatste keer dat ik er geweest ben over Handelingen 20. Paulus preekte in Troas. Dat ligt in Klein Azië bij de Hellespont, niet zo ver van het oude Troje van Homerus. De preek van Paulus duurde lang en een jonge man die in de tekst Eutychus wordt genoemd, wat in het Grieks de mazzelaar betekent, viel zittend in het open raam in slaap. Hij stortte van driehoog naar beneden en men riep: hij is dood. Paulus onderbrak zijn preek, ging naar beneden, omarmde Eutychus en zei iets als “geen paniek, hij is niet dood, hij leeft”, ging weer naar boven en vervolgde de dienst. De jongen werd door de opgeluchte omstanders naar huis gebracht.
Een kort verhaal dat door de auteur van de Handelingen, misschien wel Lucas de Evangelist, zonder opsmuk wordt verteld.
Ik begreep in de eerste plaats niet goed waarom dit voor de intellectuele Paulus zo weinig typerende voorval werd gememoreerd en verder ook helemaal niet wat zij (de dominee was een vrouw) aan mystieks uit de tekst wist te puren. Het is niet dat zij een onaardige of onintelligente vrouw leek, integendeel, maar haar beschouwingen naar aanleiding van de Schriftvoorlezing hielden zo weinig verband met het verhaal uit de Handelingen, dat zij dit als inspiratiebron ook onvermeld had kunnen laten. Toch zat iedereen tevreden en instemmend te luisteren.
De kerk met zijn incongruente inrichting, de liederen van Oosterhuis en de preek die we niet konden thuis brengen, het werkte allemaal even vervreemdend. Het is, lijkt me, een van de laatste brokstukken van een christelijk geloof dat in deze vorm haar langste tijd gehad heeft en waar over honderd jaar hopelijk niets meer van zal worden teruggevonden. Een toch wat treurige gedachte.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in geloof, Muziek. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s