Tegenvallers.

Een van de meest de hemel in geprezen sociologische studies is het proefschrift van Nel Draijer. Dezelfde Nel Draijer die later deel uit maakte van de Commissie Deetman. Haar proefschrift ging over de invloed van incest in de kinderjaren op het latere leven van vrouwen. Het Nationaal Fonds Geestelijke Volksgezondheid bekroonde haar werk wegens ‘de methodische zorgvuldige en qua uitvoering voorbeeldige opzet.’ De psychiater A. van Danzig sprak van een ‘prachtig, onomstotelijk onderzoek’, een mening waarbij Paul Schnabel de directeur van het Sociaal Cultureel Plan Bureau zich aansloot: ‘dit onderzoek is voorbeeldig opgezet, buitengewoon zorgvuldig uitgevoerd, zeer genuanceerd uitgewerkt en zakelijk correct gerapporteerd.’
Dit zegt de criticus Israëls er over:
Nel Draijer beweerde dat vier tot acht procent van alle ondervraagde vrouwen psychische problemen had die correleerden met seksueel misbruik door verwanten. Maar met het vaststellen van een statistische samenhang alleen is nog niet bewezen dat incest ook de oorzaak van deze klachten is. Israëls keek daarom nog eens goed naar de eveneens gepubliceerde tabellen met de onderzoeksgegevens van Draijer en ontdekte daarin iets verrassends. Draijer had de enquêteresultaten onderworpen aan een multivariate regressieanalyse. Dat is een statistische techniek waarmee men kan bekijken in hoeverre er sprake is van een werkelijk verband tussen twee factoren, in dit geval incest en psychische klachten. Anders uitgedrukt: hoeveel er van dat verband overblijft als men gaat controleren op de invloed van andere factoren, in dit geval dingen als: opgegroeid zijn met een strenge vader of met een depressieve moeder. Daaruit bleek dat incest pas op de achtste plaats kwam, met een bijdrage van weinig meer dan nul procent aan de stoornissen. ‘Dat getal,’ aldus Israëls, ‘vermeldt zij nergens in haar tekst. Over de enkelvoudige, betrekkelijk irrelevante, verbanden tussen incest en latere klachten rapporteert zij in de tekst uitvoerig en precies. Over wat er van dit verband uiteindelijk overblijft na controle op andere factoren zwijgt ze in alle talen.’ Een oorzakelijk verband tussen incest en later psychisch lijden laat zich met haar data niet aantonen. En daar stond de sociologische wetenschap in haar hemd, want Schnabel vormt samen met Abram de Swaan en Joop Goudsblom de top van de Nederlandse sociologie. Als Schnabel hier te kijk staat als een idioot, wat moet je dan denken van de rest van de sociologie?
Criminologie is een hulpwetenschap van het strafrecht en een onderdeel van de sociologie. Een criminoloog, ik meen de beruchte Louk Hulsman, schreef eind zestiger jaren een artikel in het Tijdschrift voor Strafrecht.. Daarin beweerde hij dat de stijging van de criminaliteitscijfers een optisch bedrog was, gepleegd door de Telegraaf en andere rechtse media. In werkelijkheid namen volgens hem alleen de publicaties over delicten toe. Want, zei hij, the black numbers in de criminaliteit zijn zo groot, die laten helemaal geen stevige conclusies toe. In dat laatste had hij gelijk, maar het eerste was een slag in de lucht. Ik denk niet dat de Telegraaf zo lang en met zoveel succes over de toename van de criminaliteit had kunnen schrijven als de mensen die de krant lezen die toename niet aan den lijve hadden ondervonden.
In dat zelfde tijdschrift stonden jaarlijks cijfers over de misdrijven die ter kennis van de politie waren gekomen, naast cijfers over de opgehelderde misdrijven en de zaken die tot een strafprocedure hadden geleid. In de praktijk van de publiciteit in de media werden de cijfers van de eerste kolom van die publicatie gebruikt als “de” misdaadcijfers. Ik las die een keer en mij viel op dat het jaarlijkse cijfer voor winkeldiefstallen kleiner was dan het cijfer dat ik kort ervoor op een jaarvergadering had gehoord van een grootwinkelbedrijf. Dat waren alleen de derving cijfers van een enkel concern. Die publicatie kon dus niet kloppen. In dat zelfde artikel stond een cijfer over opgeloste helingzaken. De opgeloste zaken overtroffen ruim het cijfer van de zaken die ter kennis van de politie waren gekomen. Dat kan natuurlijk één keer gebeuren, dat er in een jaar meer wordt opgelost dan er aan nieuwe zaken binnenkomt en ik heb er dus een aantal eerdere jaargangen van het tijdschrift op na gelezen. Maar het bleek ieder jaar hetzelfde. Meer opgeloste helingen dan ter kennis van de politie waren gekomen. Ik was medewerker aan de universiteit in die dagen en had nog alle tijd. Ik ben gaan buurten bij het politiebureau Rembrandtplein, dat toen nog bestond, dicht bij de Oude Manhuispoort. De wachtcommandant kon mij helpen. Hij had op zijn bureau een stapeltje formulieren “ter kennis van de politie gekomen”. Dat vulde hij in als de bode van het parket kwam om ze op te halen. Hoeveel het er waren, vertrouwde hij me toe, hing af van hoe druk hij het had. Dus minder misschien, vroeg ik, naarmate er meer misdrijven binnen komen? Ja, dat was wel zo dacht hij. En wat die heling betreft, dat zat zo. Als er ooit een heler werd gepakt, wat niet zo vaak gebeurde, dan werden er meestal in een klap een heleboel helingzaken tegelijk opgelost, waarvan het merendeel nooit in een formulier “ter kennis van de politie gekomen” had gestaan. Dat is de manier waarop in de sociologie materiaal wordt verzameld en op dat soort conclusies worden beleidsadviezen gebaseerd.
Toen in de tweede helft van de vorige eeuw een “zevende” faculteit werd opgericht aan de UvA wist niemand nog goed wat de mensen die op die politiek-sociale faculteit zouden afstuderen met hun diploma moesten gaan doen. In de politiek gaan misschien dachten de meesten, of leraar geschiedenis worden. Intussen is wel duidelijk waar ze blijven, al die sociologen. Overal in de overheid en daarnaast ook in het management van de zorg en het onderwijs. Overal eigenlijk waar men het modern soort management aantreft, dat geen werkelijk management is.
Toen ik in 1958 eindexamen deed en daar vroeg in Mei mee klaar was, had ik de gelegenheid om op mijn gemak te bekijken wat ik wilde gaan studeren. Sociologie stond in de rij van mogelijkheden. Het leek mij wel wat, de samenleving bestuderen en een idee krijgen hoe de wereld in elkaar zit. Maar de lijst met studieboeken en het curriculum viel me dik tegen. Het leek me allemaal wel erg veel en bovendien nogal onsamenhangend. Ik heb toen een lijstje gemaakt van de vragen waar ik in de studie sociologie antwoord op zou willen vinden en gekeken of ik in al dat materiaal van die lijst iets vinden kon dat die antwoorden beloofde. Dat lijstje kwam ik laatst weer ergens tegen. Dit stond erop:
Zitten er wetmatigheden in het ontstaan van samenlevingen en zo ja, in welke opzichten lijken de verschillende samenlevingen op elkaar en waarin verschillen ze?
Waarin verschillen nationale staten, bedrijven, sportverenigingen en kerken van elkaar en zijn er sociologische categorieën die wel op het een maar niet op het ander van toepassing zijn?
Is de omvang van een gestructureerde groep bepalend voor haar functioneren en zo ja waar veroorzaken kwantitatieve oorzaken kwalitatieve gevolgen?
Zijn er sociale verbanden die een absolute levensnoodzaak zijn voor individuen, zo ja welke zijn dat?
Kan het functioneren binnen een groep een zo overwegende invloed hebben op een individu dat hem niet als individu kan worden aangerekend wat hij als groepslid doet?
Ik kon de weg naar die antwoorden niet vinden en de ouderejaars die ik er over aansprak konden het ook niet. Ik heb in Mei 1958 toen de sociologie maar laten liggen en ben in September rechten gaan studeren. Daar heb ik nooit spijt van gehad. Zo nu en dan loop ik nog wel eens een bibliotheek binnen of kijk bij de Academische Boekhandel de bekende handboeken in om te zien of er intussen wel sociologische literatuur is waar een mens wijzer van wordt. Maar wat je vindt is dat er de laatste vijftig jaar maar weinig veranderd is. Op interessante vragen over de samenleving vind je bij de sociologen geen antwoord. Die wetenschap gaat over oninteressante vragen en ook op die oninteressante vragen komt geen antwoord.
De teloorgang van het Nederlandse onderwijs is het gevolg geweest van een beleid, waarin sociologen een dominante rol hebben gespeeld. De Nijmeegse socioloog Matthijssen was er daar een van en het zal daarom ook wel geen toeval zijn dat zijn baanbrekende werk ‘Klasse Onderwijs’ in de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren is opgenomen. Het lijkt bij lange na niet het slechtste werk dat op dit wetenschapsterrein is gepubliceerd. Het kan nog veel erger. Maar het is teleurstellend dat overheidsbeleid op dit soort werk wordt gebaseerd en dat sociologen hun politieke parti pris uit mogen leven onder het mom van wetenschap.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in wetenschap en filosofie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s