Stapel, nog een keer.

In de Volkskrant[1] stond een artikel van Lester Hoekstra, een psycholoog, waarin hij de wetenschap van de sociale psychologie en andere sociologische deelwetenschappen onder handen nam. Ik heb aan zijn artikel niets toe te voegen. U moet het zelf maar lezen. Er blijft weinig van de sociologie over. Prima stuk
Maar waar hij niet op ingaat is hoe dat nu komt dat we hier sinds de vijftiger jaren van de vorige eeuw aparte sociale faculteiten hebben op de meeste universiteiten en dat daar nog nooit iets is uitgekomen. Dat Stapel in Tilburg en eerder in Groningen en Amsterdam zo ongeremd zijn gang kon gaan met het falsifiëren van onderzoek, dat moet mensen toch iets zeggen! Een simpele Benford test[2] had de fraude aan kunnen tonen. Maar zijn ononderbroken reeks van onderzoeken die precies leverden wat hij van te voren had geroepen wekte niet het gezonde wantrouwen dat in andere takken van wetenschap tot zijn ontmaskering zou hebben geleid.
Een faculteit die nog nooit iets interessants heeft opgeleverd en die zich toch bezig houdt met een vakterrein dat vrijwel iedereen boeit. Een terrein waarop problemen voorkomen die om een oplossing lijken te schreeuwen en die door de beoefenaren van de sociologie straal genegeerd blijken te worden, dat is toch opmerkelijk?
Auguste Comte in Frankrijk en Max Weber in Duitsland hebben lang geleden al geprobeerd een grondslag voor de sociologie te leveren. Hun werk was zeker niet triviaal, maar geen van beiden heeft veel navolging gekregen. Ook Karl Marx beschouwde zich als een socioloog en die heeft wel veel navolging gehad, maar van politici, niet van wetenschappers. Het marxisme heeft in wetenschappelijk opzicht nooit iets voortgebracht maar het is misschien wel de oorzaak geweest van de onvruchtbaarheid van de sociologie. Een antimarxistische of rechtse socioloog is een witte raaf, hij komt praktisch niet voor.
In de Verenigde Staten waar in de academische wereld meer rechtse mensen voorkomen dan in Nederland of op andere plaatsen in Europa is op de sociologische faculteit de verhouding rechts links volgens een recent onderzoek onder de stemregistraties 1 op 44[3]. In eerdere generaties hebben Hayek en Schumpeter[4] zich met het verschijnsel bezig gehouden maar konden er geen definitieve verklaring voor vinden. Ze vermoedden dat een gebrek aan aanraking met de werkelijke wereld de oorzaak was, maar legden ook niet uit waarom dat voor sociologen nu zo veel meer zou gelden dan voor andere wetenschappers.
Dat socialistische parti pris een belangrijke rol speelde bij de fraude van Stapel is duidelijk voor wie de lijst ziet van zijn onderwerpen. Maar ook een willekeurige boekenlijst van een van de sociologische faculteiten in dit land geeft hetzelfde beeld. Ik denk dat de armoede van de sociologie een gevolg is van een negatief selectiesysteem. Wie rationeel denkt voelt er zich niet thuis verdwijnt al voor zijn bachelors of kandidaats naar elders. Op mijn kantoor zaten een hele reeks advocaten die al vroeg teleurgesteld afscheid hadden genomen van de sociologie als studierichting. Ik zelf heb na mijn eindexamen klassieken, economie, sociologie, filosofie, geschiedenis en rechten bekeken als mogelijke studies en was met sociologie in een paar uur klaar. Van die voorlichting was absoluut geen chocola te maken.
Kijkt men naar de kopstukken in het vak, zoals J.A.A. van Doorn, Bram de Swaan of Norbert Elias, dan zijn dat geen onderzoekers maar filosofen of ze krijgen de PC Hooftprijs voor hun werk in plaats een wetenschappelijke onderscheiding. Onderzoek is in de sociologie een randverschijnsel dat niets toevoegt en dat is eigenlijk geen nieuws. Dat wisten we ook wel voor de affaire Stapel.

[1] van 11/11/11

[2] In 1938 publiceerde Benford een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift, waarin hij het verschijnsel beschrijft dat in veel verzamelingen van getallen uit het normale leven de meeste van die getallen met een 1 beginnen. Minder getallen beginnen met een 2 en de minste beginnen met een 9. Dit wijst erop dat de kans om begincijfer te zijn niet voor alle cijfers van 1 tot en met 9 hetzelfde is. Benford toonde aan dat de kans dat in een reeks getallen een getal met een 1 begint, ongeveer 30% is. De kans dat een getal met een 9 begint, is maar 5%. Dat heet de wet van Benford. Wiskundig wordt dit uitgedrukt met de volgende kansfunctie
{\displaystyle P(D_{1}=d)=\log _{10}\left(1+{\frac {1}{d}}\right),voor\ d=1…9} P(D_{1}=d)=\log _{{10}}\left(1+{\frac {1}{d}}\right),voor\ d=1…9
Benford onderzocht grote hoeveelheden numerieke gegevens, waaronder de lengte van rivieren, de oppervlakten van meren en van landerijen, de hoogte van bergen en numerieke fenomenen uit de natuur- en scheikunde, de wiskundige tafels, de getallen uit kranten en tijdschriften, noem maar op. Hij vond steeds meer empirisch bewijs voor de juistheid van zijn formule. Maar een verklaring voor de juistheid ervan kon hij niet geven.

[3] http://www.criticalreview.com/2004/pdfs/cardiff_klein.pdf

[4] Capitalism, Socialism, and Democracy, 3rd ed., p. 147.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in wetenschap en filosofie. Bookmark de permalink .

6 reacties op Stapel, nog een keer.

  1. Jan Govaert zegt:

    Martin Heidegger kreeg in de jaren twintig de opdracht om te onderzoeken of een sociologische faculteit aan een universiteit kon opgericht worden. Hij kwam tot de vaststelling dat sociologie alleen maar levensvatbaar kon zijn door het onder te brengen bij de filosofische wetenschappen.

  2. akasdorp zegt:

    Bij zijn eigen faculteit dus. Dat kan ik begrijpen. Heidegger heeft wel iets sociologisch

  3. Robert Lopes Cardozo zegt:

    Interessant, die Benford test. Met weinig meer dan HBS-B kennis, en zonder de formule te begrijpen of het artikel te hebben gelezen, denk ik dat Benford heel goed wist waarom zijn formule deugde. Het heeft te maken met de beperkingen van de menselijke hersenen. De natuur telt van één tot oneindig en eigenlijk zouden alle getallen boven de negen een eigen woord in de taal verdienen (zoals elf, twaalf, enz.) en een eigen cijfer als we het opschrijven, en wij raken na ongeveer twaalf het overzicht kwijt. Dobbelstenen gaan maar tot zes. Wij gebruiken het tientallig stelsel (het achttallig stelsel had ook gekund) als hulpmiddel om greep op grote aantallen te krijgen. Voorbeeld: één boom heeft bijvoorbeeld 100 appels, 1000 blaadjes en 1.000.000.000 moleculen. Wij hebben ons getallenstelsel nodig om iets te kunnen uitrekenen over die boom. Na negen is de één van tien een hulpcijfer in een getal. Tot 99 komen de één en de negen 19 keer voor, maar als je tot een getal boven of onder 99 telt bevat de reeks vaker het cijfer 1. De natuur laat zich niet tellen in uitsluitend aantallen van 9, 99, 999, enz. Integendeel.

  4. akasdorp zegt:

    Een mol is de hoeveelheid stof (materie of antimaterie) van een systeem dat evenveel deeltjes bevat als er atomen zijn in 12,01 gram koolstof-12. Twaalf gram, dat is een heel klein stukje boom. Een mol water bijvoorbeeld bevat 6,02214 x 1023 of ruim 60 miljoen watermoleculen. U onderschat met andere woorden het aantal moleculen van een boom behoorlijk. Maar dat de wet van Benford met de structuur van het getallensysteem te maken moet hebben lijkt me zeker juist.

    • Isaac zegt:

      eeeh, een “mol” is een eenheid om deeltjes te tellen. Dat klopt. Maar het getal van Avogadro wat daarvoor gebruikt wordt is 6.022 * 10^23 (tot de macht 23). Dus een 6 met 23 nullen: ~602200000000000000000000. Dat is dus belachelijk veel meer dan 60 miljoen. Ongedoeld bewijzen jullie beide de stelling van Robert dat mensen moeite hebben met getallen.
      De wet van Benford heeft inderdaad met het getallenstelsel te maken, wat we nu eenmaal nodig hebben over hoeveelheden na te denken.

  5. Robert Lopes Cardozo zegt:

    Nog nadenkend over de Benford test: ik geloof niet dat die test veel helpt bij het ontmaskeren van bedriegers in de sociale wetenschappen. Natuurkundigen kunnen heel precies meten. Bijvoorbeeld dat er ergens 12 mm regen valt op een dag. Als het nodig is bedenken zij een methode om daar tot vier cijfers achter de komma achter te komen. De sociologie kan niet precies meten of er in matriarchale samenlevingen meer homo’s zijn dan in partriarchale. Omdat homo een rekbaar begrip is, en zij (of hun buren) niet overal even bereidwillig meewerken aan het onderzoek. Meetresultaten tot achter de komma hoeven we bij sociologisch onderzoek niet sereus te nemen. Stapel bedroog ons door geen onderzoek te doen en de vragenlijsten/meetformulieren zelf in te vullen. Hij had ontmaskerd moeten worden door andere sociologen, maar niet met de m.i. voor sociologisch onderzoek onbruikbare Benford test.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s