De kwaliteiten van Voskuil en Elsschot.

Ik vind dat Han Voskuil goed schrijft, maar wat moet je in dit verband nu onder goed schrijven verstaan?
In de eerste plaats dat het taalgebruik van Voskuil uitstekend is. Taal is iets wat de meeste schrijvers wel beheersen en dat voor de meesten aanleiding is dat beroep te kiezen. Daarom valt het bij het lezen van romans wat minder op dan in de vakliteratuur en vooral bij brieven die de mensen je beroepshalve schrijven. Dan is het vaak een uitzondering als iemands taalgebruik echt goed is en ook een aangename verrassing.
Maar Voskuil heeft meer kwaliteiten dan alleen zijn taalgebruik. Wat hij heel goed kan is laten uitkomen wat hij van mensen denkt door hun gedrag te beschrijven, zonder dat hij een oordeel met zoveel worden hoeft te geven.
U herinnert zich misschien dat na de publicatie van Het Bureau een stel van zijn vroegere collega’s nogal ontevreden was over de manier waarop ze door Voskuil waren neergezet. Het is zeker waar dat hij nogal kwistig is geweest met het opmerken en beschrijven van menselijke tekorten. Zijn collega’s waren geen van allen echte hoogvliegers en misschien dat de slachtoffers zelf daar wat wel anders tegen aankeken dan de schrijver. Toch worden zijn beschrijvingen nergens kwaadaardig. Integendeel, de personen komen er in het algemeen redelijk aardig uit, of worden in elk geval met een zekere compassie beschreven.
Een enkele uitzondering, zoals Herman Bianchi, lijkt onvermijdelijk. Wie die man sympathiek beschrijft zou de waarheid geweld aan doen. Maar Voskuils vriend Piet Meertens, met al zijn onhebbelijkheden, komt er toch aardig en waarheidsgetrouw uit. Dat geldt ook voor Dick Blok, de vader van Dieuwertje, die met zijn twee cum laudes helemaal niet zo’n groot licht was, maar wel een harde werker.
Voskuil was dol op zijn vrouw en dat was ook omgekeerd het geval. Dat blijkt voor de goede lezer en dat men op het Bureau zo verontwaardigd was over de scherpe manier waarop ze werd beschreven komt denk ik vooral omdat het wat gemakkelijker is om in een tv interview iets over een ander te zeggen, dan wanneer je zelf het lijdend voorwerp bent.
In zijn beschrijvingen is Voskuil heel goed, vind ik, maar de structuur van zijn zevendelige roman blijft een beetje een rommeltje. Het is van oorsprong een dagelijks bijgehouden dagboek geweest dat hij uitgewerkt heeft en dat al werkende twee keer zo lang moet zijn geworden als hij oorspronkelijk heeft bedoeld. Waarschijnlijk zou er meer zijn weggestreept als hij een wat duidelijker plan gehad had. Maar jammer kan ik het niet echt vinden. Het mag dan niet de best gestructureerde roman zijn, het blijft wel een plezier om te lezen, alle zeven delen lang.
De Nobelprijs voor de literatuur is intussen meer dan honderd keer uitgereikt. Alle West-Europese taalgebieden hebben hun beurt gehad, tot aan IJsland toe, maar uit het Nederlandse taalgebied is er tot nu toe geen. Toch waren schrijvers als Elschot[1], Boon en Voskuil van overtuigend internationaal niveau. Ze zijn in mijn ogen beter dan het gemiddelde van de buitenlandse schrijvers die de prijs wel gekregen hebben. Er staan misschien een paar nog grotere buitenlanders op de lijst van de laureaten, maar niet zo heel veel en zeker geen Scandinaviër . Wij troosten ons met de gedachte dat er ook grote schrijvers uit andere landen zijn overgeslagen door de Zweden, maar alles bij elkaar is dat toch een schrale troost.
Nederland en Vlaanderen zijn kennelijk niet erg goed in het voordragen van schrijvers die de internationale kritiek kunnen doorstaan. Dat is voorstelbaar als je bedenkt hoe vaak Mulisch en Vestdijk op de voordracht hebben gestaan en hoeveel mensen, inclusief de schrijver zelf, gedacht hebben dat Cees Nooteboom een serieuze kans kon maken.
Veel hoogleraren en andere vertegenwoordigers van literair Nederland hebben kennelijk geen erg goede literaire smaak. Quasi wetenschap en zelfs echte wetenschap, als die van Hermans, is geen aanbeveling voor een literaire prijs. Hoogdravende betogen in tijdschriften evenmin.
Wat literair knap is, is om hele gewone dingen zo helder te beschrijven dat het karakter van de mensen spreekt uit hun gedrag. Om zinnen zo fraai te formuleren dat ze gemakkelijk lijken en vanzelfsprekend. Voskuils beschrijving van Meertens, zijn mentor, is een goed voorbeeld. Dat gebeurt met zoveel scherpte en tegelijk met zoveel gevoel dat je tegen wil en dank sympathie gaat krijgen voor de oude boef. Het omgekeerde gebeurt als het gaat over Herman Bianchi, de huisgenoot van Meertens. Zonder ooit een duidelijk negatief woord aan hem te wijden, maar puur en alleen door te beschrijven wat hij doet en niet doet, hou je de indruk over van een onaangenaam en kwaadaardig iemand en dat is een juiste indruk. Bianchi was hoogleraar strafrecht aan de VU, een van de voormalige christenen die zich in de naoorlogse tijd als humanistische farizeeërs ontpopt hebben.
Elschot is misschien wel de grootste Vlaamse schrijver en samen met Eduard Douwes Dekker de grootste schrijver uit het Nederlandse taalgebied. Het gedicht, dat ik hieronder citeer, is niet alleen fraai maar was zo vlak na de oorlog ook heel moedig. Borms was een flamingant en een fascist die net als Wies Moens na de tweede wereldoorlog door de Francofonen ter dood werd veroordeeld wegens collaboratie met de Duitsers. Dat was hem na de eerste wereldoorlog al een keer eerder overkomen, maar toen was zijn straf omgezet in levenslang. Nu werd hij als invalide 68-jarige daadwerkelijk geëxecuteerd, omdat hij weigerde gratie te vragen aan Karel, de Belgische regent. Elsschot schreef een gedicht over Borms, dat op het Internet wordt gedeclameerd door een flamingant, maar indrukwekkend.

BORMS
Gij zijt mij vreemd geweest, vermetele oude vriend,
maar dat gij Nederlands vaan manmoedig hebt gediend,
dàt weet ik niettemin; zooals ‘t een ieder weet
die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.
Voor rechters-soldeniers, beroepen door de Staat,
is het u dan vergaan, zooals het dapperen gaat.
En de Regent keek toe, stilzwijgend, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
Uw gratie lag gereed voor ‘t buigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek.
Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd
en noch uw dierbaar volk noch uwe naam onteerd.
Dat kon, dat wilde, of dórst men niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het saldo dat finaal is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dat voelt heel Vlaanderland.
En dat geen enkele stem tot u is opgegaan
toen ieder in zijn geest u voor die muur zag staan.
De Paus heeft niet geroerd, wij allen zwegen stil
als was die snoode daad des Heeren eigen wil.
Een ieder zwoer bij God: Ik heb hem niet gekend,
die oude, door de pest geslagen krukkenvent.”
0 lafheid ongehoord, o niet te delgen schand,
waarvan ‘t infame merk ons op het voorhoofd brandt.
Nog glom een laatste sprank: Oranje ’s vrome telg
verheft des Zwijgers stem en schut die stoere Belg.
Uw nood, helaas, drong niet tot in de troonzaal door:
wie eenmaal is gedoemd vindt nergens meer gehoor.
Al werd uw oude romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van u resteert wordt éénmaal naar de Wet
van Vlaanderens eergevoel, met staatsie bijgezet.
Voorop de Kardinaal, gedost in vol ornaat.
Herzegend en verkist zijt gij zijn kameraad.
Hij zal, na ‘t eersaluut liturgisch henengaan:
en zo heeft dan het Land postuum zijn plicht gedaan.
OPDRACHT:
Gij dacht, o lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tirannie voor immer was voorbij.
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord,
Zoolang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.

Louis Paul Boon, die een groot bewonderaar was van Elsschot, maar die terecht niets moest hebben van het soort Flaminganten die je bij de Yzer bedevaart of bij het Stormfront aantreft heeft Elsschot over dit vers een brief geschreven, waaruit ik het volgende wil citeren.
Beste De Ridder: Gij hebt moed. Gij durft tegen heel de wereld stroom op te roeien. Dat is zeer mooi van u. Maar besef tevens dat door de schuld van de Bormsen (slachtoffers van de even grote schuldige de Belgische Staat) zovelen mijner vrienden gestorven zijn in Dachau, in Breendonk, in Buchenwald.’
Met ‘de mens Borms’ kon Boon zich desnoods nog wel verzoenen, maar in geen geval ‘met het symbool Borms.
[1] Pseudoniem van Alphonse de Ridder

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in België, literatuur, Nederland. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s