Altruïsme en zelfzuchtige genen.

Het soort onderzoek dat de overeenkomsten bestudeert tussen menselijk en dierlijk gedrag, in en buiten groepsverband, lijkt een soort combinatie lijkt te zijn van ethologie der dieren en culturele antropologie. Het heeft, voor zover ik weet, geen eigen naam. Het fascineert de mensen en publicaties op dat terrein kunnen op belangstelling rekenen bij de populair wetenschappelijke pers. Frans de Waal, een landgenoot die tegenwoordig werkzaam is in Amerika maar die in Arnhem is opgeleid bij Anton en Jan van Hooff, heeft een grote naam op dit gebied. Zijn boeken over chimpansee politiek en hun natuurlijke conflictoplossing hebben hem bekend gemaakt, misschien ook wel omdat hij zijn latere boeken in een onderhoudend soort Engels heeft geschreven. Hij is een criticus van allure van een aantal bekende neodarwinistische evolutietheorieën.
In zijn boek De Ape and the Sushi Master kreeg Richard Dawkins er van langs, die in Selfish Gene volgens De Waal de indruk heeft gewekt dat genen, of de dieren wier gedrag door deze genen wordt bepaald, gedwongen worden of geneigd zouden zijn om zelfzuchtig te wezen.
In feite doet Dawkins niet meer dan aantonen dat in een aantal gevallen “altruïstisch” gedrag genetisch niet stabiel is en in andere gevallen wel. Gedrag dat leidt tot minder nakomelingen zal op den duur verdwijnen, daar valt niets tegen in te brengen. Gelukkig voor de voorstanders van moraliteit zijn er voldoende voorbeelden waarin altruïstisch gedrag binnen een groep tot meer nakomelingen leidt voor alle leden van de groep, onder meer als gevolg van de door De Waal beschreven reciprociteit.
De vraag of altruïsme overlevingswaarde heeft in groepsverband en zo ja of het genetisch mechanisme hierbij op het niveau van het individu of van de groep werkzaam is, is een bekende discussie. Daarbij wordt ten onrechte door een aantal schrijvers de intentie van de betrokken dieren een rol gegeven. Verwonderlijk is dat overigens niet, want altruïsme is van huis uit een moreel begrip en in moraliteit zit altijd een intentionele component. Altruïsme is in sociale zin dan ook een ethisch begrip, maar in biologisch verband is het dat niet. De zorg voor anderen moet puur feitelijk worden bezien en met het oog op het resultaat.
Zoals politici en demonstranten die zeggen de vrede te willen ongewild de oorlog dichterbij kunnen brengen en omgekeerd, zo is ook de intentie van diergedrag, als die intentie al zou bestaan, genetisch irrelevant. Het is uitsluitend het resultaat dat telt. Een hond die tijgerwelpen groot brengt heeft een instinct dat onvoldoende onderscheid maakt tussen de eigen jongen en die van andere soorten. Dat is genetisch niet erg belangrijk want de kans dat een hond ooit in de gelegenheid komt om andere jongen dan haar eigen groot te brengen is zo klein dat op dat instinct geen evolutionaire druk staat. Dat een hond zich aan de tijgerwelpen kan hechten en de welpen aan haar is dus helemaal niet iets dat ons hoort te verbazen. Een algemene dispositie voor hechting aan jonge dieren bij vrouwelijke zoogdieren, gepaard aan een zorg instinct, is in de meeste gevallen voldoende om de overleving van de eigen jongen te bevorderen. Het ruwe instinct van de hond waar incidenteel een paar leeuwenwelpen van profiteren is doelmatig genoeg.
Zou zich een succesvolle diersoort ontwikkelen die van deze neiging gebruik zou maken zoals de koekoek dat doet bij de vogels dan zou dat misschien anders zijn. Er zijn biologen die beweren dat huisdieren die profiteren van de zorgdrift van de mensen een voorbeeld van dit koekoek-verschijnsel vormen, maar kennelijk vooralsnog niet in een mate om gevolgen te hebben voor onze eigen nakomelingen of voor onze instincten.
De Waal heeft gelijk als hij zegt dat het woordgebruik waarbij aan de natuur of in het algemeen aan iets anders dan aan individuen intenties worden toegekend misleidend is en gemakkelijk tot het soort conclusies leidt dat Dawkins trekt.
De idee dat een spin haar web bouwt om insecten te vangen is een vorm van teleologie en van antropomorfisme. Spinnen die succesvol insecten vingen hebben in het verleden meer nakomelingen gehad dan andere spinnen en daartoe hoorden de spinnen die webben maakten. We weten te weinig van arachnide-psychologie om te kunnen uitmaken of daar ooit enige intentie aan te pas is gekomen. Het lijkt niet waarschijnlijk, maar in elk geval is het irrelevant.
Wat een filosoof wel zou kunnen doen is deze vraagstelling op zijn kop zetten: de gevolgen van intentioneel handelen lijken zozeer op de gevolgen van het instinctieve handelen dat als gevolg van een evolutionair proces in de wereld is gekomen, dat men zich af kan vragen of aan de vorming van intenties een selectieproces te pas komt.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in wetenschap en filosofie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s