Banken en kredieten.

In de Volkskrant[1] stonden twee artikelen over banken. Een van Ewald Engelen en een van het duo Van Lin en De Jong. Van Lin komt uit het FME-CWM, de werkgevers uit de technologische branche en Jaap de Jong van Mazars Berenschot, het organisatiebureau.

Het eerste artikel had kritiek op het functioneren van het bankentoezicht en het tweede bevatte een pleidooi voor de heroprichting van de Nederlandse Investeringsbank.
Een dergelijk pleidooi werd een paar maanden later ook door het Kamerlid Sharon Gesthuizen gehouden, samengevat in een notitie [2]die ik hieronder overneem .
Ik vond haar notitie uitstekend met een kleine kanttekening: de behoefte van het bedrijfsleven lijkt niet zozeer te liggen bij meer risicodragend kapitaal maar eerder bij de gewone project- en transactiefinancieringen. Het zijn de kortlopende leningen, die regelmatig voor herfinanciering aan de beurtkomen, die de banken afknijpen in tijden van laag conjunctuur. Niet omdat die leningen risicovol zouden zijn of de ondernemers niet voldoende kredietwaardig, maar omdat banken wel moeten knijpen en zij dat bij kortlopende kredieten makkelijker kunnen dan bij de veel langer lopende kredieten als hypotheken. Dat de banken kredieten moeten verminderen komt omdat hun activa minder waard worden en daardoor hun eigen vermogen achteruit boert. Hun totale kredietportefeuille is bij de bestaande bankregels in wezen een multiple van het eigen vermogen. Stel dat de banken (ten minste[3]) tien procent van de waarde van hun leningportefeuille aan eigen vermogen moeten bezitten. Dan betekent dit dat de multiple een factor tien is[4]. Het heeft dan tot gevolg dat bij vier procent achteruitgang van de waarde van de activa veertig procent krimp in het eigen vermogen optreedt en vervolgens ook in de lening portefeuille. Dat effect kan worden voorkomen als de banken een voldoende grote stroppenpot hebben, zodat de verliezen niet ten koste van het eigen vermogen gaan, maar ten laste van deze voorziening. Wanneer banken een te kleine stroppenpot hebben en de verliezen rechtstreeks ten laste komen van het eigen vermogen, zoals in deze crisis het geval was, dan is de krimp in de reguliere kredietverlening onvermijdelijk.
Het is duidelijk dat we hier met een systeemfout te maken hebben en dus met een van de kernfouten van toezichthouders en de accountants van de banken. Die hadden erop horen toe te zien dat de stroppenpotten crisisbestendig zijn en de verhouding eigen vermogen- leningen portefeuille minder extreem.

Daarmee raken we aan het onderwerp van het eerste artikel, dat van Ewald Engelen. Engelen verwijt DNB dat die zich teveel met het bankwezen heeft vereenzelvigd en te weinig op de rem heeft getrapt. In plaats van de geldcirculatie te bewaken heeft Wellink de concurrentiepositie en de winstgevendheid van het Nederlandse bankwezen gestimuleerd en daarbij te weinig oog gehad voor de grote risico’s die de verhoogde winstgevendheid mee bracht. Deze analyse van Van Engelen lijkt me juist: DNB heeft te zeer het wereldbeeld van de bankiers tot het hare gemaakt en niet of niet voldoende onderkend dat de raden van bestuur van de grote banken de grip op het gebeuren waren kwijt geraakt.

Wellink is voor dat beleid of gebrek aan beleid verantwoordelijk, zegt van Engelen en daarom zou het juist geweest zijn wanneer hij was afgetreden. Niet omdat hij een onbekwame man zou zijn, integendeel, hij lijkt een stuk capabeler dan de meeste van zijn critici, maar juist omdat hij hoogst persoonlijk het beleid in DNB bepaalde. Dat beleid moet nu veranderen en daarbij moet het verleden de bank niet in de weg zitten. Dat verleden is nu Wellink.

[1] van 7/7/10

[2] Het volgende is de op de site gepubliceerde samenvatting van de nota.

De kredietverstrekking door banken houdt de gemoederen bezig. Ondernemers merken dat zij in deze tijd van recessie moeilijker of zelfs helemaal niet aan voldoende risicodragend kapitaal kunnen komen. Dit heeft een negatief effect op het herstel van de economie.
Ondernemers zitten met de handen in het haar en kloppen steeds vaker aan bij gemeenten en provincies. Deze verstrekken daarom meer en meer zelf kredieten aan bedrijven in nood, met
alle risico’s van dien. Het Icesave debacle heeft bewezen dat lagere overheden niet altijd de kennis en kunde in huis hebben om te gaan bankieren.
Tot ongeveer tien jaar terug kende ons land de Nationale Investeringsbank (NIB) – een staatsbank die juist ten tijde van economische crises de knelpunten op de kapitaalmarkt kon
oplossen. Via de Regeling Bijzondere Financiering (Regeling BF) verstrekte de NIB kredieten waarvoor de staat garant stond aan bedrijven. De bedrijven waren in de kern gezond en goed
geleid, maar konden vanwege problemen bij banken, die niet aan hen te wijten waren, geen krediet krijgen. De NIB en de Regeling BF hebben op die manier ruim 50 jaar een belangrijke
bijdrage geleverd aan het functioneren van de Nederlandse economie. De bank sleepte menig grote Nederlandse onderneming door moeilijke tijden. Dat wordt bevestigd door verschillende
evaluaties die er destijds over zijn verschenen. In de evaluaties wordt aangetoond dat de NIB haar taak efficiënt en doelmatig uitvoerde. De kosten van de Regeling BF waren bovendien
acceptabel en de baten wogen hier ruimschoots tegen op. Desondanks is de NIB eind vorige eeuw geprivatiseerd en de Regeling Bijzondere Financiering wordt niet langer uitgevoerd.
Deze nota toont aan dat een nieuwe NIB ook nu weer een belangrijke taak kan uitvoeren in het verstrekken van krediet aan gezonde bedrijven, omdat de private sector daarin momenteel
tekortschiet. De diverse instrumenten die de overheid nu heeft om de kredietverstrekking en daarmee de economie op gang te krijgen helpen nauwelijks. De regelingen waarbij de overheid voor 50 procent garant staat bij leningen aan ondernemers, helpen niet de problemen bij de banken zelf op te lossen. De banken willen hun eigen balans op orde houden en ondernemers zijn er dus de dupe van dat banken minder of geen krediet willen verstrekken.
Bovendien vinden zowel de ondernemers als de banken de nu bestaande garantieregelingen te ingewikkeld. Een NIB kan goed geleide ondernemingen wel krediet geven, omdat de overheid
garant staat. Hiertegenover staan voorwaarden, zoals de eis dat de onderneming in principe gezond is en dat er geen bonussen worden uitgekeerd ten tijde van het krediet. Ook kijkt de
NIB naar het algemeen belang van de onderneming voor de Nederlandse economie. De staat is de enige aandeelhouder van de bank en werkt in een Werkcommissie samen met de investeringsbank om de kredietaanvragen te beoordelen. De NIB rekent een opslag op de rente die krediet nemende bedrijven betalen over hun lening. Uit deze opslag betaalt de bank
haar eigen kosten. Daarnaast is de opslag bedoeld om eventuele verliezen voor de staat op de leningen te dekken. De staat kapitaliseert de NIB met 120 miljoen euro. De regeling kan
echter budgetneutraal worden uitgevoerd, omdat uit de opslag ten slotte ook de kosten voor de rente over deze 120 miljoen worden betaald. In totaal zal de nieuwe Nationale Investeringsbank voor maximaal anderhalf miljard euro aan kredieten kunnen verstrekken. Aan de risicovolle gemeentelijke en provinciale
kredietverstrekking kan zo ook een einde komen.

[3] ‘Ten minste’ betekent dat de banken wel meer eigen vermogen mogen hebben, maar door de concurrentie voelt iedere bank zich gedrongen om het maximum toegestane percentage aan leningen uit te zetten.
[4] Het is in feite minder en de krimp die als gevolg daarvan optreedt is daarom groter.

Advertisements

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in geld en economie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s