Herinneringen uit de oorlog.

Waarom ik zo happy kan worden als ik muziek van Mozart hoor, kan ik moeilijk uitleggen. Dat is al zo sinds ik een kleuter was van drie. We hadden een grammofoon thuis en 78 toeren platen van Mozart. Die moesten dus snel gewisseld worden. Fascinerend, dat wisselen en dan weer die muziek.
Mijn moeder speelde piano en zong. Aria’s van Mozart maar ook Duitse schlagers zoals Wenn die Elisabeth nicht so schöne Beinen hätt’. Mijn zusje heet Liesbeth en vond dat liedje het allermooiste. Mijn schoonmoeder, God hebbe haar ziel, was Duitse en heette ook Elisabeth. Bij haar was dat liedje ook een succes. Van de oorlog herinner ik me geen doorlopend verhaal Ik heb er vooral een soort foto album van in mijn hoofd. Plaatjes van een rijtuig waarmee we reden naar een hotel met een vennetje in de buurt, de Heelder Peel. Een foto van mijn stiefzusje Annemieke, die kwam logeren met haar nichtje. Annemieke had zwart haar, maar dat nichtje was blond met pijpenkrullen. Mooi vond ik dat. Dat was nog in 1942, toen ik twee was.
Mijn vader had een auto, wat nogal bijzonder was in die tijd en ik heb een plaatje dat we in die auto zaten en ingehaald werden door een wiel. Mijn vader stopte de auto, ging dat wiel halen en zette het er weer op. Het was het linker achterwiel. Hoe dat harder kon gaan dan de auto zelf begreep ik niet en ik weet nog dat ik daar de rest van de rit over heb zitten nadenken. Ik moet drie geweest zijn toen.
Later, eind 1944, zat mijn vader ondergedoken en was het leven een stuk chaotischer geworden. Ik zie de plaatjes nog van Duitse tanks en van Engelse vliegtuigen die overvlogen. Soms werd er een gevangen in de schijnwerpers van de luchtafweer en daarna met afweergeschut naar beneden gehaald.
Begin ‘45 kwam de evacuatie, waardoor we na nogal wat omzwervingen in Duitsland in een gammele trein met kapotte ramen in Friesland terecht kwamen. Dat was mazzel, want mijn moeder kwam uit Friesland en mijn opa woonde in Leeuwarden. Bij hem hebben we gewoond, tot na de bevrijding.
De oorlog was een periode waarin er veel gebeurde maar voor een kleuter, als ik was, toch een heel ander soort tijd dan voor volwassenen, die het ergens mee vergelijken konden. Voor mij was het wel chaotisch maar tegelijk ook gewoon; het hoorde zo.
Toen wij in 1945 in Roermond terug waren van die paar maanden evacuatie in Leeuwarden, lag de halve stad in puin. Men had al die tijd aan het front gelegen en dat was te zien. In ons huis was de waterleiding gesprongen. Toen we deur open deden kwam er een waterval naar buiten.
Iemand had geprobeerd de piano te stelen maar die bleek te zwaar en stond nog buiten op het platte dak achter de eerste verdieping. De sieraden en de weckglazen die erin verstopt waren zaten er nog steeds in, daar hadden de dieven niet naar gekeken. Met hulp van een ploeg familieleden is er toen opgeruimd en schoon gemaakt en daarna was het wachten op mijn vader, die terug moest komen uit een concentratiekamp in Duitsland. Maar die kwam niet.
Wel andere mensen die met hem in het kamp gezeten hadden en die kwamen ons vertellen dat hij het niet gered had. Samen met zijn broer was hij overleden aan de difterie, zoals veel mensen in dat soort kampen. Het was een klein concentratiekamp in Hunswinkel bij Lüdenscheid in het Oostelijk Ruhrgebied. Niet te vergelijken met Auschwitz of Birkenau, maar eerder met de concentratiekampen van de Engelsen in de Boerenoorlog. Heel vergelijkbare sterftecijfers ook.
Mijn vader was niet bang van nature, maar mijn moeder was het wel. Ze had de oorlog door in angst gezeten, omdat vader in het verzet zat, en behoorlijke risico’s gelopen had en bovendien werd die oorlog zelf behoorlijk eng tegen het einde. Het was een tijdlang goed gegaan, onder andere dankzij de hulp van een Duitse officier van de Ortskommandatur. Met hem was mijn vader bevrind geraakt voor de oorlog. Die kwam waarschuwen als er een razzia op komst was en dan konden onze onderduikers en verzetslui verstopt worden in de machines van een meubel fabriek in de buurt.
Een keer was hij thuis en kwam er een niet aangekondigde razzia waarvoor hij het dak was op gevlucht. Daar lag hij, in de dakgoot. Ik was aan het spelen op dat platte dak bij de eerste verdieping waar we later die piano aantroffen en ik wist dat hij daar boven lag, omdat een schoen over de dakrand stak. Dat was van beneden te zien. Maar jongens van vier zijn niet stom en ik wist dat ik die kant niet op moest kijken. Toen een Duitser op zijn hurken naast mij kwam zitten en vroeg wo denn der Vati war toen wees ik de andere kant op, waar je een paar huizen verder de stal van kon zien een paardenslachterij. Met wat klimmen kon je daar vanaf dat platte dak wel komen, dat was te zien en in elk geval hebben mijn aanwijzingen die Duitser overtuigd. Einde verhaal.
Maar een maand of wat later is hij toch gepakt, verraden door een buurtgenoot, die wist waar hij en een stel mensen van zijn verzetsgroep zich ophielden, in een kamp, midden in de bossen aan de Duitse grens. Mijn moeder heeft me die verrader na de oorlog nog wel eens aangewezen. Hij heeft vast gezeten maar niet erg lang.
Moeder heeft meteen na de oorlog besloten nooit meer naar Duitsland te gaan, zelfs niet naar Hunswinkel. Dat was een voornemen waar ze zich aan gehouden heeft tot dik in de zeventiger jaren, toen een jongere broer een baan kreeg in Oostenrijk, in Klagenfurt. Haar vliegangst won het toen van haar angst voor Duitsland. Omrijden met de auto via Italië leek al te gek en toen is ze met mijn zus en mij door Duitsland heen naar Oostenrijk gereden.
Denk ich an Deutschland in der Nacht dann bin ich um den Schlaf gebracht – Angst spür’ ich, wo kein Herz ist. Zo was dat gevoel wel, geloof ik.
Maar bij mijzelf was die Deutschland angst toen al verdwenen. Ik werd in mijn studententijd verliefd op een beeldschoon meisje met een Duitse moeder en vier Duitse grootouders. Die Duitse familieleden waren aardige mensen, daar kon je niet bang voor zijn. Toen was dat gevoel, dat ook ik altijd wat gehouden had, als ik de grens overstak opeens weg en dat bleek een opluchting. Meer dan ik ooit verwacht had. Maar bij mijn moeder is het nooit over gegaan, nooit helemaal.
Mijn vader had een keer een boerenkar geleend, ik meen van de boer aan de overkant van de Maas, waar ook onze onderduikers naar toe gingen voor ze via België weg probeerden te komen. Dat hij zo’n paard voor de wagen kon spannen en kon mennen, dat vond ik heel gewoon, want mijn vader kon niet alleen autorijden, die kon praktisch alles. De hele familie achterin die wagen en met zijn allen naar een natuurbad in de buurt. Wij en een paar gasten uit Amsterdam. Dat kon in 1943 nog.
Later in de winter 1944-‘45 lag Roermond aan het front. Engelsen en Canadezen aan de overkant van de Maas en de Duitsers aan onze kant. Wij woonden aan de weg naar Venlo en dat was geen erg beschutte plek, nogal dicht bij de Maas. Regelmatig kwamen granaten langs gevlogen, een geluid dat ik me nog heel goed herinner. Een keer vloog zo’n granaatscherf door de keuken terwijl we zaten te eten en die bleef in de deur van de koelkast steken. Jaren na de oorlog zat die er nog in.
Een paar weken na dat gebeuren waarvan iedereen toch wel was geschrokken ging ik met mijn moeder mee, om melk te halen op het slachthuis. De directeur van het slachthuis was een vriend van mijn vader. Hij had een koe achterover weten te drukken, die daar op de zolder stond van het slachthuis. Wie melk hard nodig had kon het van hem krijgen. Mijn moeder was in verwachting van mijn jongste broer en zus en had bovendien nog een baby van een jaar. Dus die melk had ze nodig. Dat slachthuis lag in een zijstraat van de Venlose weg. We kwamen uit die zijstraat de Venlose weg op en pats, daar slaat een granaatscherf door de melkkan heen. De melk spatte als een ster alle kanten op. Blauw waren niet alleen de scherven maar ook de melk, sprookjesachtig. Ik heb de foto ervan op mijn netvlies staan. We zijn maar terug gelopen naar huis, hebben een andere kan gehaald en opnieuw naar het slachthuis, want die melk kon ze niet missen.
Ik denk, dat als je ouders laconiek zijn met die dingen, je dat als kind zelf ook wel wordt. Al kan ik me een gebeurtenis herinneren waarin mijn moeder zich rot schrok maar ik helemaal niet. We stonden bij de bakker te wachten tot we aan de beurt waren en voor me stond een geweldig dikke Duitser, gebogen over de toonbank. Ik heb toen een klap gegeven op die dikke billen. Die vroegen erom. Die Duitser, die keek om en glimlachte eens vriendelijk tegen dat jochie, niets aan de hand.
Ik had mijn moeder verteld dat de Duitsers hadden gezegd dat alle jongens van vier jaar onder moesten duiken, maar daar wilde ze tot mijn verbazing niets van weten. Mijn zus en ik imiteerden in die tijd graag de conversatie van grote mensen. Onzinwoorden in rap tempo uitgesproken, dat was zoals wij volwassen conversatie verstonden, terwijl het juist weer overdreven langzaam ging als ze het tegen ons hadden. Dat had natuurlijk niets met de oorlog te maken, maar het gewone leven en de oorlog zijn in mijn herinnering door elkaar heen gaan lopen en dat haal ik niet meer uit elkaar.
Een van mijn tantes trouwde in de oorlog en de stoet kwam langs ons huis. Mijn zus was bruidsmeisje maar ik mocht niet mee en zat boos te kijken, boven op de boekenkast in de erker, naar als die mensen in zwarte pakken en mooie jurken. In die zelfde erker zat ik, toen er een tank langs kwam waarvan ik de bestuurder recht in de ogen kon kijken, zo hoog was die tank. De eerste verdieping van ons huis was vijf meter boven de straat. Waar die enorme dingen voor dienden heb ik nooit geweten.
Dat was begin 1945 en kort daarna zijn we geëvacueerd. Die evacuatie was een spannende aangelegenheid. Mijn vader was al weg, gearresteerd en afgevoerd naar een concentratiekamp. Maar mijn moeder, mijn zus, mijn kleine broertje en ik moesten haastig pakken en mee, met een colonne naar Duitsland. Ik had een rugzak met spullen, mijn zus een tas en mijn moeder zeulde een koffer en mijn broertje. We gingen met bussen richting Kaldenkirchen, maar onderweg werden we beschoten en hebben we een tijd in een greppel gelegen. Het laatste stuk werd lopen. In Kaldenkirchen hebben we gebivakkeerd op de zolder van een fabriek, waar eerder Russische krijgsgevangenen hadden gelegen. Dat viel te ruiken en ook te voelen, want we kwamen er onder de vlooienbeten vandaan.
Het transport uit Kaldenkirchen was een trein waarvan de ruiten kapot geschoten waren. Die werden provisorisch met dekens dicht gemaakt, maar zo dat je nog wel naar buiten kon kijken; het was koud. Mijn broertje lag in een deken in het bagagenet. Het transport heeft dagen geduurd, terwijl niemand wist waar we naar toe gingen.
Dat bleek uiteindelijk Noord Nederland te zijn, maar dat vertelde ik al. We zijn in Leeuwarden terecht gekomen waar mijn opa woonde met zijn huishoudster. In Leeuwarden was het vrede, vooral als je het vergeleek met Midden Limburg. Geen bommen en beschietingen en vooral ook praktisch geen lawaai. Dat is wat me van Leeuwarden het beste is bij gebleven: de rust daar, de stilte.
Kinderen hebben geen referentiekader om nieuwe ervaringen een plaats te geven. Die scheppen hun eigen referentiekader, aan de hand van de ervaringen die ze opdoen. Alles wat ze mee maken is normaal. Voor wie een kleuter was in de oorlogsjaren geeft dat een bijzonder soort herinneringen.
Wat ik mij scherp herinner is die evacuatie, dwars door Duitsland naar Friesland. De volwassenen die mee reisden waren erg ongerust en dat merkte je. Die dachten dat we op weg waren naar Polen of zo. Er was door de Duitsers niets gezegd over de bestemming. De ongerustheid merk je als kind, maar die vond je niet erg bijzonder. We hadden toen al een paar maanden frontoorlog achter de rug. Beschietingen, zoals we die meemaakten tijdens de reis was redelijk gewone kost en ook de ongerustheid van de volwassenen was een bekend verschijnsel.
Ik weet wel nog goed hoe vervelend ik het vond, dat mijn vader er niet bij was. Die zou de mensen wel gerust gesteld hebben. Maar hij zat ergens ondergedoken en bleef achter.
Na een paar dagen treinreis met om de haverklap onderbrekingen, waren we opeens terug in Nederland, tot grote opluchting van de volwassen evacués. Eerst in Groningen, waar een deel van de wagons werd afgekoppeld. Maar het deel waar wij in zaten reed door naar Leeuwarden. Daar stond mijn opa op het perron de trein op te wachten en konden mijn moeder en wij drie kinderen mee naar opa’s huis. Puur toeval natuurlijk dat we daar terecht kwamen en dat hij daar op goed geluk ons stond op te wachten maar wel een erg gelukkig toeval.
Vanaf het moment dat we de trein uit stapten kwam ik in een nieuwe en voor mij vreemde wereld. Geen vliegtuigen die overvlogen of neergeschoten werden en geen beschietingen. Geen tanks door de straten, geen Duitse soldaten, die een vreemd soort Limburgs spraken. Geen angst ook bij de volwassenen om ons heen, wel ongerustheid bij mijn moeder, over hoe met mijn vader zijn zou en andere familieleden die nog in Limburg waren.
Die merkwaardige fysieke ervaring, waar ik geen naam voor had, was de vrede om ons heen. Die had ik nooit bewust meegemaakt, dat was nieuw. Je kon spelen op straat, dat was heel bijzonder. Thuis in Roermond mocht dat niet, veel te gevaarlijk. Maar in Leeuwarden kon er op straat worden gespeeld, met buurkinderen!
’s Ochtends wandelde ik met mijn opa van het Emmaplein, waar hij woonde, naar de binnenstad, waar hij zich iedere dag liet scheren. Emmakade af, Eerste Kanaalbrug, Oosterbrug en daar ergens in de buurt was de barbier. Ik moest dan wachten, tot hij klaar was en na afloop kreeg ik een ijsje, van 5 cent!
Mijn zus kreeg bijles, want die hoorde eigenlijk op de lagere school te zitten. Ik mocht erbij zitten als ze les kreeg en heb daar ongemerkt genoeg van opgepikt om later, toen ik zelf naar school ging, de eerste klas te kunnen overslaan. Alleen goed schrijven had ik nooit geleerd en dat kun je nog altijd zien.
Vrede, man! Dat was wat.
Na een paar maanden Leeuwarden capituleerden de Duitsers en konden wij terug naar Roermond. Eerder hadden we nog de Canadezen meegemaakt, maar die associeerden we niet met oorlog. Die deelden kaakjes uit en sigaretten, wat voor ons kinderen een perfect ruilmiddel was, want sigaretten waren er aan het einde van de oorlog nergens meer in Nederland. Maar die Canadezen was leuk volk, heel anders dan de Duitsers.
De terugtocht naar Limburg was wel weer oorlog, in zekere zin. De reis duurde erg lang, want de bruggen waren kapot. Overal onderweg zag je stuk geschoten huizen en kraters in de wegen waar de bussen omheen moesten rijden.
Toen we thuis kwamen in Roermond werden we opgewacht door onze familie uit Maastricht, die had een paar dagen besteed om ons huis weer wat bewoonbaar te maken. Dat was half leeg geroofd. Roermond was behoorlijk verwoest en eigenlijk was dat een tijdlang een verlengstuk van de oorlog, maar dan zonder het acute gevaar. Die tijd zo vlak na de oorlog was wel bijzonder, maar een verhaal daarover bewaar ik voor een andere keer.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in herinneringen, Nederland, oorlog. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s