Ons integratiebeleid.

Het wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum van het departement van Veiligheid en Justitie heeft ooit een studie gepubliceerd over integratie met een inleiding van Kees Schuyt, hoogleraar en staatsraad. Hieronder volgt een samenvatting van die inleiding met wat commentaar van mij.
Wat betekent integratie? Een greep uit de omschrijvingen die momenteel veel gebruikt worden – assimilatie, aanpassing, participatie – leert dat nieuwkomers hun levenswijze op de onze moeten afstemmen. Begrippen als gastvrijheid en acceptatie lijken momenteel minder in zwang.
Commentaar: gastvrijheid en acceptatie zijn code woorden voor Gods water over Gods akker laten lopen. U heeft hier te doen met de heer Schuyt, intellectuele sluipmoordenaar van die andere Leidse hoogleraar, Buikhuisen.
Kennelijk zijn velen van mening dat minderheden te weinig integreren. Dat is ook niet zo verwonderlijk omdat de cijfers over werkloosheid, schooluitval en criminaliteit onder allochtone groepen niet gerust stellen.
Commentaar: Dat is een understatement. Frankrijk en Zweden gelden vanouds als de Europese landen met het meeste succes bij integratie, vooral te meten aan het percentage allochtone afgestudeerden bij de middelbare opleidingen. Dat zijn naast Engeland tegelijk de twee belangrijkste landen die massale rellen hebben meegemaakt in de buitenwijken van hun grote steden.

Het beleid zet momenteel alle kaarten op inpassing in de arbeidsmarkt. Maar is betaald werk de oplossing voor het integratie-vraagstuk? Dat beleid loopt immers de kans te blijven steken in symptoombestrijding als de doeleinden en middelen ervan niet worden gedeeld door de etnische groepen in kwestie.
Commentaar: Dat ‘immers’ begrijp ik niet goed en ‘symptoom bestrijding’ ook niet. Om te participeren op de arbeidsmarkt moeten allochtonen de taal spreken. Als ze de taal spreken is een eerste voorwaarde vervult voor hun integratie. In een baan moeten allochtonen vrijwel altijd samenwerken met autochtonen en samenwerken houdt onderlinge aanpassing in.
Integratie faalt wanneer het zelfbeeld van de groepen forse deuken oploopt. Het gangbare beleid dreigt deze culturele factor te verwaarlozen. Soms wordt de cultivering van een eigen identiteit zelfs als belemmering gezien.
Commentaar: Als mannen leren dat het mishandelen van vrouwen en homo’s het gedrag van schobbejakken is, dan tast dat hopelijk hun zelfbeeld aan. Dan is er kans op verbetering.
Opvallend is, zo stelt C. Çörüz in dit nummer, dat het woord integratie bijzonder vaak gevolgd wordt door het woord `moeten’. Allochtonen moeten integreren, zo niet dan ontstaan de grootste problemen. De dwang die het `moeten’ integreren impliceert, is volgens Çörüz de Nederlandse democratie onwaardig.
Commentaar: Met ‘moeten’ wordt in dit verband bedoeld dat etnische conflicten vrijwel onvermijdelijk zijn als integratie achterwege blijft. Turkije waar C. Cörüz vandaan lijkt te komen is een goed voorbeeld. Hij zou zich moeten realiseren dat de genocide op de Armenen iets is wat we in Europa willen vermijden net als het soort etnische burgeroorlog dat nu in Syrië plaats vindt. Wie liever Turk is dan Nederlander zou niet hier naar toe moeten komen of als hij hier eenmaal is weer op moeten pleuren. Ook als hij dat pas hier constateert, kan hij toch beter remigreren. Democratie houdt in dat we met sterk gevoelde belangen van minderheden rekening houden, maar weer niet als die niet met de even sterk gevoelde belangen van de meerderheid onverenigbaar blijken te zijn.Men gaat ten onrechte uit van eenrichtingsverkeer in plaats van dialoog. Bovendien deugen de uniforme uitgangspunten van `de’ Nederlandse en `de’ allochtone cultuur niet.
Commentaar: Cohen, de vorige burgemeester van Amsterdam, was sterk in de dialoog met allochtonen, een ritueel dat hij als theedrinken beschreef. Hij bleek daarbij niet in de gaten te hebben dat degenen met wie hij zijn dialoog voerde in geen enkel opzicht representatief waren voor de Marokkaanse of Turkse gemeenschappen in Amsterdam. Marcouch, met wie hij een integratiebeleid voor Nieuw West ontwikkelde, werd niet herkozen als voorzitter van de deelraad. Het bestuur van de Westermoskee, aan wie zijn college van B en W illegaal subsidie had gegeven, door hun de grond onder de prijs te verkopen, werd prompt afgezet. Het werd vervangen door islamisten, die de moskeeganger beter leken te vertegenwoordigen en die geen behoefte hadden aan dialoog met een jood als Cohen. Wel aan zijn subsidie, natuurlijk.

Het is daarom interessant te weten hoe moslims en andere allochtone gemeenschappen zelf denken over hun toekomstperspectief in Nederland. Welke visies hebben zij op integratie? Hoe kan integratie worden bevorderd? Bestaat er angst cultureel te vervreemden? Is daarom versterking van de eigen identiteit de aangewezen manier om te integreren (islamitische zuilvorming)? Wat zijn de risico’s daarvan?
Commentaar: Ik weet niet of Kees Schuyt een idee heeft hoeveel verschillende nationaliteiten de Nederlandse allochtonen tellen. Het integreren van al die verschillende culturen met behoud van ieders identiteit is godsonmogelijk. Laten we ons concentreren op de vier grote etnische gemeenschappen waar daadwerkelijk de integratieproblemen liggen, de Marokkanen, de Turken, de Antillianen en de Surinamers. De Surinamers en Antillianen hebben helemaal niet zo’n afwijkende cultuur, het creoolse en mannelijke deel ervan moeten alleen nog overtuigd worden dat je leren en werken moet in Nederland.
Commentaar: De Turken werken tenminste zo hard als Nederlanders, als je ze de gelegenheid geeft, daar zit het niet in. Die moeten alleen van hun Turkse gemeenschappen afgeholpen worden, Gülen zowel als Erdogan. Als individuen zijn Turken gewoon goed volk. Marokkanen zijn Arabieren en Arabische gemeenschappen in dit land zijn een bedreiging voor zich zelf en voor anderen.
Maakt men zich wel voldoende de Nederlandse taal eigen?
Commentaar: Nee, dus.
Kan bescherming en cultivering van eigen identiteit samengaan met openheid?
Commentaar: Wat Schuyt hier met openheid bedoelt is niet duidelijk.
De redactie hecht zoveel belang aan dit vraagstuk dat een aanzienlijk aantal auteurs is uitgenodigd hun visie te vertolken. Uit de zeer uiteenlopende bijdragen is een trend te signaleren dat het huidige beleid te eenzijdig leunt op sociaal-economische doelstellingen.
Commentaar: Bedoeld wordt waarschijnlijk dat men als middel van integratie te veel kijkt naar arbeidsparticipatie van de allochtonen. Maar toch, onderwijs en werk, betere manieren om in de samenleving te worden opgenomen lijken er niet te zijn.
Er lijkt behoefte te zijn aan een heroriëntatie op de sociaal-culturele factoren van integratie zoals identiteitsvorming.
Commentaar: Met permissie, maar dit lijkt onzin. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat isolatie van de allochtonen in de geweld- en armoede culturen die ze hebben meegenomen hun zelf of ons zouden kunnen gaan helpen. Of bedoelt men iets anders met identiteitsvorming? En zo ja, wat dan?
De dertien bijdragen zijn gegroepeerd in drie delen. In het tweede en derde gedeelte worden respectievelijk de sociaal-culturele wegen naar integratie en de spanningen tussen de islam en een pluralistische samenleving belicht. Maar eerst volgt een meer beschrijvend gedeelte over integratiepatronen en -processen. Wat zijn de belangrijkste obstakels gebleken voor integratie? En ter contrast: wat zijn de kenmerken van een geslaagd integratieproces? Want Indonesiërs en Zuid- Europese immigranten hebben uiteindelijk zonder veel problemen ingang gevonden in de Nederlandse samenleving.
Commentaar: De repatrianten uit Indonesië voelden zich zelf Nederlanders. Er zaten praktisch geen moslims onder. Zuid Europese immigranten zijn katholiek. Het zijn er bovendien nooit zoveel geweest dat ze aparte etnische gemeenschappen gingen vormen.
De historicus L.A.C.J. (Leo) Lucassen – de jongere broer van Jan Lucassen van de IISG – beklemtoont in zijn openingsbijdrage dat de Nederlandse samenleving reeds vanaf de zestiende eeuw in feite een `multiculturele samenleving’ is geweest. Het culturele verschil werd weliswaar niet zozeer op basis van herkomst gevoeld en gemaakt, als wel op grond van religie en klasse.
Commentaar: Wat er in de zestiende eeuw en met name na de val van Antwerpen[1] gebeurde in Holland was een fusie van de Zuid en Noord Nederlandse calvinistische groeperingen . Die vormden in die tijd praktisch gesproken het handeldrijvende en industriële deel van de bevolking. De infuus van rijke Zuid Nederlandse kooplieden en geschoolde handwerkslui heeft de Gouden Eeuw en de spectaculaire bloei van Amsterdam mogelijk gemaakt. Van een Nederlandse samenleving zoals we die nu kennen was toen nog geen sprake. Het was historisch gezien slordig van Lucassen om deze vergelijking te maken.
Lucassen constateerde dat het percentage in het buitenland geborenen in de zeventiende en achttiende eeuw bijna twee keer zo hoog lag dan heden ten dage. In sommige plaatsen zoals Leiden raakten de autochtonen in korte tijd zelfs in de minderheid. Hij constateerde verder dat negatieve beeldvorming het lot is geweest van vrijwel alle eerste generaties immigranten.
Commentaar: De immigratie naar Holland in die tijd kwam in hoofdzaak uit de naburige regio’s die in cultureel en godsdienstig opzicht nauwelijks van ons verschilden. Die meerderheid in Leiden bestond uit Zuid Nederlandse vluchtelingen, toen meer nog landgenoten dan tegenwoordig. Lucassen heeft een ahistorische manier om het begrip buitenland te definiëren. En van negatieve beeldvorming van de Zuid Nederlanders was eigenlijk geen sprake. Hoogstens van een zekere mate van jaloezie. De Vlamingen en Brabanders waren welvarender en beter geschoold.
Voor de tweede en derde generaties van immigranten lag dat anders. Onder andere door een hoger opleidingsniveau wisten ze de achterstanden snel in te lopen. Kortom, het vestigingsproces van immigranten vertoont door de eeuwen heen opvallend regelmatige patronen.
Commentaar: Er is dus geen sprake van achterstanden van de zeventiende eeuwse immigranten en al helemaal niet van opvallend regelmatige patronen bij de immigratie. De derde generatie moslim allochtonen is zo mogelijk nog minder geïntegreerd[2] dan de vroegere gastarbeiders en woont nog steeds in getto’s. De Vlamingen en Brabanders waren in de grote steden na drie generaties niet meer van de Hollanders te onderscheiden.
M.P. Lindo gaat in zijn bijdrage na hoe de succesvolle integratie van Zuid-Europese migranten te verklaren is. Volgens hem is het betere onderwijsniveau van Zuid-Europese migrantenvrouwen een doorslaggevende factor. In vergelijking met Turkse en Marokkaanse vrouwen hebben zij meer kennis van de omringende samenleving en meer invloed op de beslissingen die binnen het gezin worden genomen. Zij zijn daardoor beter in staat het reilen en zeilen van hun kinderen op school te volgen, zodat hun onderwijsloopbaan minder door negatieve beslissingen wordt geblokkeerd. Bovendien is de `vernederlandsing’ van de kinderen – o.a. door het kiezen van een Nederlandse partner – minder een schrikbeeld dan in Turkse en Marokkaanse gezinnen.
Commentaar: Wat Lindo zegt komt, kort samengevat, hier op neer, dat de immigranten uit Zuid Europa een Europese cultuur met ons delen en dat zij daarom wel integreren. Moslims zullen dat integreren nooit vrijwillig doen.
M. van Niekerk beschrijft in haar artikel hoe de integratie van Surinamers sinds de jaren zeventig is verlopen. Hoewel hun loopbaankansen zijn toegenomen, is de werkloosheid onder Surinamers nog altijd hoog. De auteur maakt een onderscheid tussen Creoolse en Hindoestaanse groepen. De eerste groep gaat relatief veel met Nederlanders om, maar lang niet allen slagen er in een reguliere loopbaan te ontwikkelen. Veel Creoolse jongemannen neigen ertoe in reactie op uitsluiting overlevingsstrategieën te ontwikkelen waardoor ze in de marge van de samenleving belanden.
Commentaar: Wat van Niekerk met overlevingsstrategieën in de marge van de samenleving bedoelt is het kiezen van een criminele loopbaan. Het is opvallend dat de Surinamers in de criminele statistieken beter scoren dan de Antillianen, maar dat dit verschil verdwijnt als men de vergelijking met de Surinaams groep beperkt tot mannelijke Creolen in de leeftijd van twaalf tot vijf en dertig. Hindoestanen uit Suriname scoren niet slechter dan Nederlanders en veel beter dan moslims. Maar dat doen ze op het Indische subcontinent ook.
Kenmerkend voor de tweede groep is de relatief grote groepscohesie. De strakkere disciplinering draagt er wellicht toe bij dat randgroep vorming en kleine criminaliteit minder voorkomen.
Commentaar: Van Niekerk zou eens een vergelijkende studie moeten maken van de verschillen in criminaliteit tussen India en Pakistan of tussen het Indische Bengalen en Bangla Desh. Soortgelijke studies zouden te maken zijn op de Molukken en in Nigeria, overal waar moslims en andersgelovigen, die voorouders met ze delen, samenleven.
Vervolgens gaat Prof. J. Veenman in op de lage sociaal-economische positie van etnische minderheden. Hij betrekt daarbij onderwijs, arbeidsmarkt, inkomenspositie en huisvestingspositie. Tevens gaat hij in op de vraag of die lage positie ook geldt voor de tweede generatie. Hij concludeert dat er voor deze generatie nog steeds achterstand is, maar deze is geringer terwijl er ook aanzienlijke verschillen zijn binnen de groepen. Men kan daarom moeilijk spreken over `de’ etnische minderheden, groepen die per definitie een lage sociaal-economische positie zouden hebben. Veenman pleit tenslotte voor een gedifferentieerd allochtonenbeleid dat rekening houdt met deze verschillen en dat aangrijpt daar waar de noodzaak bestaat en waar de mogelijkheden zich voordoen.
Commentaar: Veenman heeft hier een goed punt. Het gaat niet aan om alle allochtonen over een kam te scheren. De problemen hebben we met Afro-Europeanen en met moslims. Chinezen en Hindoestanen blijven wel aparte groepen vormen in de samenleving maar die houden er vergelijkbare normen en waarden op na als autochtonen. Daarom botst dat niet zo.
Prof. C.J.M. Schuyt betoogt dat een geslaagde integratie soms het beste verloopt via `een bepaalde duur van bewust gewilde segregatie, het herontdekken en bewust erkennen van de eigen cultural roots’. Het middel hiervoor is wat hij een `multi-structurele samenleving’ noemt: het opbouwen en verder ontwikkelen van alternatieve structuren, met name `para-instituties’, dat wil zeggen instellingen en organisaties die naast de bestaande officiële instellingen opereren en waarin allerhande activiteiten worden verricht: eigen onderwijs verzorgen, eigen bedrijven oprichten, dienstverlening organiseren.
Commentaar: Het is duidelijk dat Schuyt, zowel als jurist als in zijn hoedanigheid van gammawetenschapper, een nogal overschatte man is. Het beleid dat in de tijd van burgemeester Cohen zo’n faliekante mislukking geworden is in Amsterdam, is mee van hem afkomstig. Schuyt pleit voor een herleving van de zuilenmaatschappij met de moslims in de oude rol van de katholieken. Waar hij zich op verkijkt is dat de katholieken in wezen net zulke Nederlanders waren als de protestanten en de seculieren. Bovendien wilden ze participeren en dachten ze over zaken als werk en onderwijs hetzelfde als de andere Nederlanders. Centra van criminaliteit waren bij de katholieken beperkt tot de regio’s als Oss, die nu bolwerken zijn van de SP. Het verschil tussen een katholieke Limburger en een mohammedaanse Arabier zou niet groter kunnen zijn. Als we de moslims de gelegenheid geven hun eigen zuil op te zetten, zullen vrouwen en homo’s mishandeld blijven worden en is er geen enkele reden om aan te nemen dat ze ooit het geweld en de armoede vaarwel zullen zeggen.
Alleen op die manier kan de eenzijdigheid van het huidige beleid – werk en nog eens werk – worden doorbroken. Door zo sterk een activiteit te benadrukken, zegt Schuyt, valt iedereen die er niet aan kan voldoen uit de boot. `Insluiting op basis van een dimensie brengt maatschappelijke uitsluiting en marginalisering voort, terwijl men die juist tracht te voorkomen.’
Commentaar: For even when we were with you, this we commanded you, that if any would not work, neither should he eat. Werk is de basis van iedere samenleving. Het brengt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de samenleving tot uiting en het is een voorwaarde om ook diegenen die niet voor zich zelf kunnen zorgen in leven te houden. Wie zich eraan onttrekt is asociaal.
R.S. Gowricharn trekt deze lijn van redeneren door. Het problematische van de arbeidsmarkt is dat deze een beperkte opnamecapaciteit heeft en veel werkende allochtonen `uitspuwt’ of de instroom van werkloze allochtonen blokkeert. Volgens de auteur kan het niet de bedoeling zijn dat `integratie’ gelijk staat aan `overleven in de marktarena’. In veel gevallen leidt de beoogde integratie in de Nederlandse samenleving – door bijvoorbeeld allochtone vrouwen aan te sporen te gaan werken – tot desintegratie van de eigen etnische gemeenschap.
Commentaar: De desintegratie van moslim gemeenschappen is nu precies wat we na zouden moeten streven, tenzij er een evolutie denkbaar zou zijn naar een humanistisch soort islam. Dat goed opgeleide niet- criminele en werkwillige mensen uit de moslimgemeenschap geen werk zouden kunnen vinden is een onbewezen stelling. Dat vrouwen van hun mannen of vaders vaak niet mogen werken staat wel vast. En dat mensen als Schuijt en Cohen die houding bij de moslims gefaciliteerd hebben ook.
Integratie kan volgens Gowricharn beter worden opgevat als acceptatie. Concreet: mogelijkheden bieden tot expressie van eigen opvattingen en leefwijzen. Insluiting is vooral afhankelijk of we in staat zijn bruggen te slaan tussen diverse culturen en nieuwe loyaliteiten te creëren.
De identiteitsvorming die in de betogen van Schuyt en Gowricharn reeds wordt benadrukt, wordt in de bijdrage van M. Galenkamp en S.G. Tempelman expliciet aan de orde gesteld. De schrijfsters bespreken eerst drie visies op integratie, een sociaal-economische, een politiek-juridische en een multiculturele. Hoewel de drie benaderingen elk hun voor- en nadelen hebben, achten ze de eerstgenoemde benaderingen te beperkend: migranten worden gedwongen zich aan te passen aan `de’ Nederlandse cultuur. Deze dwang tot assimilatie kan tot een `backlash’ leiden met alle gevaren van dien. Beide visies gaan teveel voorbij aan de factor `cultuur’ in het integratieproces. De auteurs menen dat de multiculturele benadering van integratie te snel is afgeschreven en houden een gematigd pleidooi voor een islamitische zuil. Zuil vorming geeft minderheden zelfvertrouwen zodat faalangst en isolement worden tegengegaan.
Commentaar: Dit is een herhaling van zetten. Er kan niets positiefs over worden gezegd. De multiculturele benadering is mislukt en krijgt geen tweede kans. Zij had geen eerste horen te krijgen, dan hadden we nu veel minder problemen gehad.
N. Landman gaat in op de vraag in hoeverre de politiek-ideologische islam – ook wel islamisme genoemd – in West-Europa een grotere aantrekkingskracht heeft gekregen. De auteur keert zich tegen het idee dat islamisme als het ware automatisch uit de islam voortvloeit en dus ook in West-Europa automatisch de kop op moet steken. Hij acht die zienswijze niet ongevaarlijk omdat deze kan leiden tot pleidooien voor de inperking van godsdienstvrijheid. Maar dat wil nog niet zeggen dat hier een voedingsbodem voor een ideologische interpretatie van de islam zou ontbreken. Want West-Europa is wel degelijk een missiegebied voor islamitische bewegingen: er worden kantoren geopend en geld en menskracht gemobiliseerd voor de politieke strijd in de landen van herkomst. Anderzijds blijkt dit geïmporteerde islamisme maar zeer ten dele toepasbaar in West-Europa waar moslims slechts een minderheid vormen. Dat het islamisme versterkt wordt door sociaal-economische achterstelling, zoals velen veronderstellen, kan Landman slechts ten dele bevestigen.
Commentaar: Landman zal waarschijnlijk van mening zijn dat Nederlandse moslims die naar Syrië of Afghanistan trekken buitenbeentjes zijn die niet representatief zijn voor de gemeenschap waar ze uit stammen. Het is met de moslims als indertijd met radicaal links in Duitsland. Al die dominees en onderwijzers zaten niet in de Rote Armee Fraktion van Baader en Meinhof, maar de moordaanslagen hielden pas op toen de morele steun die dat deel van de bevolking aan de extremisten gaf werd ingetrokken.
T. Sunier gaat in zijn bijdrage na in hoeverre de veronderstelling dat islamitische organisaties hun leden zouden ontmoedigen om met Nederlanders om te gaan, juist is. Op basis van gesprekken met Turkse jongens stelt Sunier vast dat de jonge aanhang van islamitische organisaties vaak om heel andere redenen is toegetreden dan de ouderen. Hun oriëntatie op Nederland is sterker en hun verwachtingen hoger. Ze zijn gevoeliger voor uitsluitingsmechanismen en eerder bereid de strijd daartegen aan te binden. Ook de betekenis van de eigen organisaties is gewijzigd: in de jaren negentig en daarna vormen deze organisaties steeds minder eilanden waarop men zich terugtrekt uit gevoelens van vervreemding.
Commentaar: Het is opvallend dat de vraag die Sunier zich zelf stelt niet duidelijk wordt beantwoord. Op een wat omfloerste manier lijkt hij te zeggen dat die organisaties inderdaad ontmoedigen en dat jongeren zich daar toe aangetrokken voelen omdat ze zich gediscrimineerd voelen.
A.B.L. El Manouzi constateert daarentegen dat veel moslimorganisaties niet goed functioneren omdat ze zich de principes van de democratische rechtsstaat (pluraliteit; autonomie) onvoldoende hebben eigen gemaakt. De onbekendheid met of de miskenning van die grondwaarden vergroot de negatieve beeldvorming rond moslimorganisaties. Moslims zouden zich volgens de auteur dienen te heroriënteren op hun godsdienst en levenswijze. Omdat zij in een `vreemd’ land vertoeven worden ze daar ook toe gedwongen: ze zijn steeds meer op zichzelf aangewezen om theologische denkkaders te ontwikkelen los van de leergezag centra buiten de grens. Net als andere religies staan moslims voor een fait accompli: gelovigen leven naast en met elkaar onder democratische verhoudingen. Mede gezien de technologische ontwikkelingen, zegt El Manouzi, staan de drie monotheïstische tradities onder toenemende druk het eens te worden over een minimale sociale moraal.
Commentaar: Manouzi zegt verstandige dingen maar hij is de stem van een roepende in de woestijn. Hij vertegenwoordigt alleen zich zelf.
C. Çörüz constateert dat `moskee’ en `integratie’ gewoonlijk als tegenpolen worden gezien. Dat de moskee een belangrijke maatschappelijke rol vervult is voor velen een onwennige gedachte. Maar Nederlandse moskeeën zijn veel meer dan alleen gebedshuizen. Zo vervullen ze een rol bij het beheer van de openbare ruimte en geven ze steun aan gezinnen in een achterstandsituatie. De meeste imams, constateert Çörüz, zijn niet berekend voor deze taken. Omdat zij in het buitenland worden geworven (of worden uitgezonden) spreken ze geen Nederlands en hebben ze geen kennis van de Nederlandse cultuur. Daarom pleit hij ervoor de `pendelimam’ te vervangen door een in Nederland opgeleide imam die goede contacten kan onderhouden met de jongere generaties migranten en kan bijdragen aan de kentering in de beeldvorming over de islam in het algemeen en de moskee in het bijzonder als een `broeinest van fundamentalisme’.
Commentaar: De Westermoskee was zo’n liberale moskee waar het bestuur het gesprek met de gemeente aanging. Toen men een maal de grond voor de moskee voor een prikje van de gemeente had gekregen werd het bestuur vervangen door mensen die strenger waren in de leer. Protesten van de gemeente hielpen niet. Zolang de banden met het Midden Oosten niet rigoureus worden verbroken zal hier ook geen verandering in komen.

M. Sini constateert in zijn bijdrage dat de vorming van een multiculturele samenleving vooralsnog door vele factoren wordt gehinderd. Volgens hem staat het minderhedenbeleid tot op heden teveel in het teken van een sociaal-economisch beleid. Het sociaal-culturele spoor zou meer aandacht verdienen. Daartoe behoort op de eerste plaats een betere toerusting van moslim-ouders; zij zouden hun opvoedingswaarden dienen te herinterpreteren en in overeenstemming moeten brengen met het feit dat hun kinderen in een niet-islamitisch land worden grootgebracht. Om projecten met ouders te laten slagen, vervolgt Sini, is het van belang dat een kader wordt ingezet, bestaande uit prominente allochtonen met overredingskracht en een reputatie. Dit kader zou ouders uit hun isolement kunnen halen en hun zelfredzaamheid en weerbaarheid kunnen bevorderen. Moslims zijn hierdoor beter in staat de taken van burgerschap uit te oefenen.
Commentaar: Sini is een goede leerling van Schuijt. Voor zover wij kunnen zien zijn er geen prominente moslims in de zin dat zij tegelijk invloed hebben in hun gemeenschap en toenadering tot de Nederlandse samenleving wensen. Marcouch is een schoolvoorbeeld die dat wel wilde en hij werd als deelraad voorzitter niet herkozen.
G.C. Quispel sluit het nummer af met een vergelijking tussen Amerikaanse en Nederlandse vormen van segregatie. De auteur wijst erop dat de weigering van Amerikaanse blanken om in de zelfde buurten als zwarten te wonen tot een extreme vorm van segregatie heeft geleid.
Commentaar: Dit is met permissie volstrekte onzin. Mijn dochter leeft met haar gezin in Amerika en woonde jaren naast een zwarte familie waarvan de man majoor was in het Amerikaanse leger. Die verhouding was uitstekend. Rassendiscriminatie is iets uit de tijd van Martin Luther King. Maar wie wil vrijwillig naast crackgebruikers wonen in buurten waar de criminaliteit de pan uit rijst? Als Quispel meent dat ook het mijden van criminelen al een vorm van verboden discriminatie is, houdt iedere zinnige discussie op.
Na de jaren zestig zijn de omstandigheden in de getto’s verder verslechterd omdat veel industrie uit het centrum van de steden wegtrok. Door de handel in crack en de war on drugs steeg het aantal zwarten dat achter de tralies werd gezet tot grote hoogte. In de Nederlandse steden daarentegen is de lijm die de samenleving bij elkaar houdt nog niet opgedroogd. Bovendien beschermt de verzorgingsstaat mensen tegen armoede en gebrek. De Bijlmer lijkt een uitzondering te zijn. Hoewel niet vergelijkbaar met een Amerikaanse getto is de segregatie er bijzonder hoog.
Commentaar:
De gemeente en de woningbouwverenigingen hebben grote bedragen gespendeerd aan het tegengaan van de verkrotting in de Bijlmer en natuurlijk krijgt iedereen die dat nodig heeft daar toeslagen en uitkeringen. Nederland en Amsterdam konden zich dat permitteren toen de welvaart nog ieder jaar steeg en het aantal allochtonen te overzien bleef. Maar het is duidelijk dat daar ooit een eind aan komt als er in de allochtonenwijken wel gegeten wordt maar niet gewerkt.

[1] in 1585
[2] http://wodc.nl/onderzoeksdatabase/jv199706-integratie.aspx gepubliceerd in 1997
[3] Met uitzondering dan van een kleine groep goed opgeleiden die zich uit de vreemdelingen getto’s hebben losgemaakt. Maar net als in de VS lijkt dat geen oplossing te bieden voor het gettoprobleem. Ondanks dat iedere generatie opnieuw de besten het hok verlaten blijft de aanwas zo groot dat de getto’s niet in omvang afnemen maar blijven groeien.
[4] 2 Thessalonians 3:10 St James bijbel

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in allochtonen, geschiedenis, maatschappelijk, Nederland. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s