Boeken schrijven.

Een boek schrijven is hard werk. Eigenlijk net als het timmeren van een kast. Je moet er goed gereedschap voor hebben. Mooie begrijpelijk zinnen kunnen maken, die lekker lopen. Er moet een verhaal zijn met een of meer lijnen en die moeten voor zich zelf spreken en er niet met de haren zijn bijgesleept. Tenslotte moet een boek je raken, zodat je het wel twee of drie keer lezen wilt. De feiten en gebeurtenissen moeten je inzicht geven in het karakter van de mensen over wie het gaat en van de man of vrouw die in het boek aan het woord is. Wat een schrijver vooral niet moet doen is op zijn hurken gaan zitten en dan zeggen: kijk, het zit zus of het zit zo.
Het soort boeken dat aan al die voorwaarden voldoet wordt in Nederland niet vaak geschreven, maar er zijn toch twee boeken waar ik dol op ben en die ik om die reden regelmatig herlees. Dat is de Max Havelaar en het Bureau. In geen van tweeën zit een duidelijke lijn. Wel zijn ze allebei heel goed in het Nederlands en ook in andere talen, als die voorkomen. Maar ze zijn rommelig van opzet en draaien in de rondte; ze gaan eigenlijk nergens heen.
Wel krijg je uit die boeken een prima beeld van Han Voskuil en van Eduard Douwes Dekker. In het Bureau ook van Voskuil ’s vrouw, zijn vader en zijn schoonmoeder, de drie mensen op wie hij het meest gesteld is en daarnaast van de belangrijkste mensen met wie hij zijn hele leven heeft gewerkt.
Dat krijg je voornamelijk doordat hij laat weten wat hij op ze heeft aan te merken. Niemand krijgt er zo van langs als zijn vrouw en ook over zijn vader heeft hij weinig opwekkends te melden, maar het knappe is dat er toch uitkomt hoe nauw die twee mensen hem aan het hart liggen. Zijn schoonmoeder is gewoon lief, niets op aan te merken; net zijn vrouw eigenlijk, maar dan op zo’n afstand, dat het nooit problemen geeft.
De man voor wie hij de meeste bewondering en verachting heeft is Meertens. Dat is de oprichter van het Bureau waar hij werkt en de man die hem tegen heug en meug heeft opgezadeld met het levenswerk waar hij zo’n opmerkelijke haat-liefde verhouding mee onderhoudt, de volkenkunde. Meertens heeft een groot gemak om met mensen om te gaan. Waarschijnlijk is hij ook wetenschappelijk wel goed, maar daar horen we nooit wat over. Daarnaast is hij een beetje een charlatan die mensen naar de mond praat en altijd doet alsof. Als de man later in een verzorgingshuis zit en Herman Bianchi, zijn vriend en voormalige huisgenoot, hem in de steek laat, blijft Voskuil hem trouw opzoeken. Dat is een van de kenmerken van deze man, die hondentrouw.
Voor de oudste medewerkster van het instituut Dé Haan heeft hij respect, maar ze kunnen niet goed overweg en mijden elkaar. Iets dergelijks geldt voor Dick Blok, die Meertens opvolgde als directeur. Eigenlijk was Voskuil zelf de beoogde opvolger geweest, maar hij wilde niet of durfde niet.
Dat Voskuil een wetenschapper van formaat was blijkt uit de manier waarop de mensen later in het boek met hem omgaan, vooral de belangrijkste, zoals Bernet Kempers en Maartje Draak. Ook wel uit wat hij citeert uit eigen werk. Maar helemaal serieus kan hij zijn werk nooit vinden en dat lijkt me terecht. Volkenkunde is iets negentiende-eeuws en zal pas echt wat worden als het zich biologische parameters aanschaft.

Advertisements

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie, literatuur. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s