Etnisch populisme.

In de NRC (11/7/09) schrijft Ton Zwaan[1] over Wilders en diens partij, die hij een etnisch populistische beweging noemt, vergelijkbaar met het fascisme en het nationaal socialisme. Hij meent dat zijn artikel diepgang heeft, dit in tegenstelling tot veel andere waarin dezelfde vergelijking gemaakt wordt. Hij illustreert zijn vergelijking van Wilders met de bewegingen uit de dertiger jaren door een opsomming van gemeenschappelijke kenmerken die naar zijn zeggen vooral betrekking hebben op de ideologische en organisatorische aard en op hun politieke stijl, op de politieke doelen en de electorale aantrekkingskracht.
Hij noemt in het ideologische verband het oproepen van vage gevoelens van wantrouwen, angst en haat, het systematisch opbouwen van collectieve haatfantasieën en het flirten met politiek geweld. Organisatorisch is de beweging van Wilders naar zijn mening autoritair, net als die van Hitler, antidemocratisch en antiliberaal. Er is sprake van een leider die het alleen voor het zeggen heeft en rond wie een cultus van persoonsverheerlijking is ontstaan. Wilders wijst willekeurige politieke geestverwanten aan voor politieke functies. Hij legt geen verantwoording af over de politieke lijn van de partij; zijn volgelingen hebben geen inspraak in het te volgen beleid en ook binnen de beweging zelf bestaat geen democratie.
De PVV is niet civiel nationalistisch maar etnisch populistisch nationalistisch: zij richt zich niet tot de Nederlandse burger maar tot de leden van de etnische groep Nederlanders, d.w.z. tot de autochtonen.
Of dit nu allemaal zoveel helderder en inhoudelijker is dan de andere artikelen waarin Wilders met Hitler en Mussolini wordt vergeleken, betwijfel ik. Of het op zich wel zinvol is om Mussolini en Hitler op een hoop te gooien, dat laat ik in het midden. Bij het demoniseren gaat het immers niet om Mussolini maar uitsluitend om Hitler. Ook in de uitspraak van het Amsterdamse Hof in de zaak Wilders I was de vergelijking met Hitler beslissend voor het constateren van het beledigende karakter van Wilders uitingen over de koran en de islam en voor zijn oproepen tot haat. We kunnen Mussolini en de fascisten dus gevoegelijk buiten beschouwing laten.
Wat Hitler betreft, die was inderdaad antiliberaal en antidemocratisch. Hij verwierp de humanistische ideologie van het individualisme, de mensenrechten en de gelijkheid van mensen en volkeren. Hij was tegen de parlementaire democratie en een voorstander van een politieke leider, die zijn gezag rechtstreeks aan het volk ontleent, te weten hij zelf.
Voor zover Wilders dat allemaal ook op zijn programma zou hebben dan heeft hij daar tot nu toe weinig van laten blijken. Hij baseert zijn bezwaren tegen de islam juist op de mensenrechten en de democratie waarvoor binnen de islam geen plaats zou zijn. Anders dan Hitler heeft Wilders zijn carrière binnen het parlementaire systeem gemaakt. Anders dan Zwaan beweert is er bij de PVV geen sprake van buitenparlementaire actiegroepen en al helemaal niet van flirten met politiek geweld. De bewakers die Wilders omringen zijn er op advies en op kosten van BiZa dat de doodsbedreiging van de zijde van fanatieke moslims en fanatieke linkse groeperingen serieus neemt.
Hitler had een revolutionair nationalistisch en socialistisch programma, zoals J.A.A. van Doorn, niet zo lang voor zijn overlijden, nog eens heeft aangetoond. Wilders heeft dat niet. Mein Kampf was slordig en in der haast geschreven maar op dit punt was het duidelijk genoeg. Niet voor niets liepen grote groepen uit de socialistische en communistische vakbeweging naar Hitler over: de verwantschap tussen Hitler en de communist Stalin was onmiskenbaar. Wilders is niet socialistisch zoals Hitler, maar eerder rechts. Hitler en Stalin leken op elkaar ondermeer in de steeds aanwezige bereidheid om geweld te gebruiken als dat nodig was. Bij Wilders vind je niets van dat alles.
Wilders staat anders dan Hitler trouwens niet alleen. Fortuijn, Verdonk en Wilders visten in hetzelfde water. Tegen wie zij zich richten en wat de argumenten zijn die zij daarvoor aanvoeren is in drie zinnen samen te vatten.
Zij richten zich tegen het deel van de immigranten dat zich niet willen aanpassen aan de in Nederland geldende fatsoensnormen en aan de waarden waar Nederlanders aan hechten. Zij richten zich politiek tegen de partijen en de maatschappelijke stromingen die het de afgelopen decennia in Nederland voor het zeggen hadden. Die hebben in hun ogen ten onrechte aan de immigratie geen hinderpalen in de weg gelegd.
Als een zesde deel van de Nederlandse kiezers op deze mensen en hun partijen stemt mag een socioloog ervan uitgaan dat zij gedachten vertolken die bij meer dan de helft van de bevolking leven. Het ongenoegen over het beleid van de overheid kwam in 2005 tot uiting op een moment dat men niet voor of tegen een partij hoefde te stemmen maar toen een meerderheid van twee derde van de kiezers bij de grootste opkomst sinds decennia per referendum een voorstel van de overheid van de hand wees. Dat voorstel ging over een belangrijke constitutionele verandering die verpakt was in een warrig en onleesbaar document van vele honderden bladzijden. Ook Zwaan zou naar mijn vaste overtuiging niet in staat zijn om in het bestek van een krantenpagina samen te vatten wat de constitutionele consequenties zouden zijn geweest van het verdrag als het was aangenomen. Dat de Nederlandse bevolking weigerde om het blind goed te keuren pleit voor ons. Dat onze overheid het onder de naam Verdrag van Lissabon een paar jaar later, buiten de bevolking om, alsnog heeft aangenomen pleit niet voor de politiek.
Voor dit soort EU verdragen geldt hetzelfde als voor ongeremde immigratie. De Nederlandse overheid en de politieke klasse dringen haar aan het Nederlandse volk op zonder de mensen op enig moment er daadwerkelijk over te raadplegen. Dat gebeurde bij het referendum van 2005 voor het eerst en van die gelegenheid is in alle duidelijkheid gebruik gemaakt. Zwaan zou zich niet alleen tegen Wilders en diens partij moeten richten maar ook tegen de twee derde van de Nederlanders. Dat zijn de mensen die het op een breed terrein gehad blijken te hebben met hem en zijn geestverwanten. Gehad met de miserabele staat van het onderwijs en van de zorg. Een grote meerderheid die het niet eens is met de inrichting van het justitiële systeem en van de politie. Een die bezorgd is over de fraudes in het uitkeringstelsel, geërgerd over de veelheid en de onleesbaarheid van wetten en regels en boos over de ontoegankelijkheid en het gebrek aan publiekvriendelijkheid van overheidsinstanties.
Als Zwaan al die mensen populisten vindt en voor zover ze het islamisme afwijzen, ook etnische populisten, dan zou hij zich moeten realiseren dat hij zich in een minderheid bevindt. Ook de mensen die niet op Wilders stemmen omdat ze bijvoorbeeld vinden dat hij te veel nieuwe Nederlanders over een kam scheert, delen zijn bezwaren tegen het functioneren van de Nederlandse overheid. Ook wie uit de macht de gewoonte of bij gebrek aan aanvaardbaar alternatief op Rutte of Asscher blijft stemmen kan oog hebben voor het gebrek aan visie bij al die sociologisch opgeleide bestuurders en politici. Ook wie voor een Europese samenwerking is kan het verdrag van Lissabon een slecht werkstuk vinden. Eerder een hinderpaal dan een hulp bij het verwezenlijken van daadwerkelijke Europese samenwerking. De ontevredenheid over het functioneren van de overheid en van de groep mensen waaruit de politieke leiding van de overheid wordt gerekruteerd is veel groter dan de aanhang van Wilders.
Veel mensen zijn nu politiek dakloos. De bevolkingsgroepen waarin de politieke partijen van de eerste helft van de twintigste eeuw hun aanhang vonden bestaan niet meer. De politieke idealen van de bestaande partijen zijn of verwezenlijkt of niet meer relevant. Nog geen enkele grote partij heeft de problemen geanalyseerd waar we de komende decennia mee te maken gaan krijgen of een beleid geformuleerd met het oog op die problemen. Dat betekent dat Wilders op een belangrijk punt gelijk heeft: de bestaande politieke en bestuurlijke elite schiet te kort en is aan vervanging toe.
Dat Wilders in het gat springt dat de anderen laten vallen hoort niemand te verbazen. Als hij het niet was dan was het wel iemand anders. Dat Fortuijn, Verdonk en Wilders achtereenvolgens een substantiële aanhang verwerven en in een mum van tijd, dat bewijst wel dat zij zelf incidenten zijn, maar dat de oorzaak ligt bij het falen van degenen die de afgelopen periode leiding hebben gegeven aan het publieke leven in het land. Namens die mensen schrijft Zwaan en erg overtuigend doet hij dat niet.

[1] Gepromoveerd socioloog en docent antropologie en sociologie aan de UvA; medewerker van het Centrum voor Holocaust- en Genocidestudies te Amsterdam

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Nederland, overheid, politiek. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s