Consigliere.

Mevrouw Röttgering legde in het Parool van 10 juli 2007 uit wat de geheimhoudingsplicht van advocaten is en waarom de advocaat die de officier van justitie Plooy waarschuwde dat zijn leven werd bedreigd juist handelde en Plooy zelf onjuist.
We moeten er rekening mee houden dat misschien niet alle feiten in de openbaarheid zijn gekomen die Plooy aanleiding hebben gegeven om dat omstreden kranteninterview te geven. De verantwoordelijke minister heeft de feiten afgewogen en besloten het interview niet te verbieden, dus misschien dat er meer is dan in de krant gekomen is. Maar als er buiten de gepubliceerde feiten geen andere relevante redenen zijn geweest voor het optreden van Plooy, en daar gaan we hier verder van uit, dan heeft Mevrouw R. gelijk, dan heeft Plooy onrechtmatig gehandeld, misschien zelfs een strafbaar feit gepleegd waarvoor hij vervolgd zou kunnen worden. Dat zal natuurlijk niet gebeuren want quis custodiet ipsos custodes?

Juist en wat verwarrend is de constatering dat advocaten wel en officieren geen verschoningsrecht hebben. De kwestie van het verschoningsrecht doet zich voor als iemand tegelijkertijd een plicht heeft om te spreken, bijvoorbeeld als getuige, en een plicht om te zwijgen, bijvoorbeeld op grond van een geheimhoudingsplicht. Het verschoningsrecht lost deze botsing van rechtsplichten op ten gunste van de geheimhoudingsplicht, maar in het geval van Plooy was er geen enkele plicht om met zijn mededeling in de openbaarheid te komen. De vraag of officieren al dan niet een verschoningsrecht hebben deed zich dus niet voor.

Wat voor veel mensen niet helemaal begrijpelijk zal zijn is dat bij de advocaat het beroeps-ethisch probleem gespeeld heeft of hij Plooy wel had kunnen waarschuwen. Wanneer je hoort dat iemand op de nominatie staat om vermoord te worden dan spreekt het toch vanzelf dat je hem waarschuwt? Hooguit zou je de waarschuwing zo dienen in te kleden dat de belangen van de cliënt daarbij zoveel mogelijk worden gesauveerd, maar natuurlijk gaat de bescherming van een mensenleven voor. Dat is uiteindelijk ook de conclusie die de tuchtrechter van de advocaat trekt, maar advocaten hechten erg aan de absolute geheimhouding van alles wat hun door cliënten wordt toevertrouwd. De advocaat zou voor hij Plooy waarschuwde zeker met een kantoorgenoot, of als hij die niet heeft, met de deken hebben moeten overleggen of hij in dit geval de geheimhoudingsplicht kon schenden. Men zou het kunnen vergelijken met de medische procedures rond de euthanasie: in het geval van twee tegenstrijdige plichten dient men nooit op eigen houtje te handelen, op grond van het deugdelijke ethische principe dat men er pas zeker van kan zijn gewetensvol te handelen als men aan anderen durft voor te leggen wat men van plan is te doen.

Men moet er bij dit alles van uit gaan dat er een geheimhoudingsplicht bestond bij de advocaat in kwestie, dat het om informatie ging met andere woorden die de advocaat uit hoofde van zijn functie door een cliënt was toevertrouwd. Dat zal in casu wel het geval geweest zijn, maar een advocaat die van beroep consigliere is en juridische bijstand geeft bij het beramen van misdrijven handelt niet als advocaat en heeft dan ook geen geheimhoudingsplicht of verschoningsrecht.

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in ethiek, strafrecht. Bookmark de permalink .