Verdeling van hoge functies.

Een sociologe vroeg zich in haar column in de Volkskrant af hoe het komt dat er relatief nog steeds zo weinig vrouwelijke hoogleraren zijn en vrouwen als hoge functionarissen in het bedrijfsleven. Haar conclusie was dat dit komt omdat de mannen in de benoemingscommissies andere mannen voortrekken. Ze geven elkaar een kontje, zei ze. En als dingen eenmaal zo zijn dan denkt iedereen dat het zo hoort.

Ik heb redelijk vaak in zo’n benoemingscommissie gezeten en herinner me niet dat het zo ging. Wij vonden vrouwen in het mannenwereldje eigenlijk juist aardig. Echt bekwame mensen zijn sowieso zeldzaam, dus je neemt ze waar je ze vinden kunt. Dat vrouwen niet zo vaak in hogere functies terecht komen komt omdat de meeste bekwame vrouwen dat zelf niet willen. Dat daar toch zo vaak over geklaagd wordt komt omdat vrouwen die de hoge functies wel graag willen niet altijd zo bekwaam zijn.

Verder klopt het wel, denk ik, dat als iets eenmaal zo is, dat mensen dan vaak het idee hebben dat het ook zo hoort. In dit geval dus, omdat het een feit is dat mannen vanouds in de hoge functies zitten dat ook gemakkelijk de norm wordt. Mannen zowel als vrouwen vinden dat dan, ook al gaat dat vaak onbewust en is het tegenwoordig politiek correct niet meer om het ook te zeggen.
Anders gezegd: als er een statistische verdeling bestaat die een genetische achtergrond heeft, komt er gemakkelijke een culturele voorkeur overheen, die dan het biologische gegeven versterkt. Maar dat het hier speciaal de mannen zijn die andere mannen een kontje geven, dat geloof ik niet.

De meeste bekwame vrouwen zijn aardig en evenwichtig en weten precies wat ze van het leven willen. Dat is ondermeer kinderen en tijd om die kinderen op te voeden. Maar dat willen mannen toch ook, zegt U dan en het is toch niet meer dan redelijk dat mannen en vrouwen die samen kinderen krijgen ook evenredig tijd aan verzorging en opvoeding besteden?
Dat is, zoals een filosoof U uit zou kunnen leggen, een uitspraak die in de categorie Sollen thuis hoort, niet in de categorie Sein. Zij is normatief en niet feitelijk. Vrouwen wensen zelf hun kinderen en hun gezin te regelen. Ze vragen van de mannen in hun leven hulp, als dat kan, maar geen inmenging in het bestuur van de huishouding. Zij willen tijd voor zich zelf en voor hun kinderen, ongeacht wat die man wil en de idee dat die huishoudelijke verantwoordelijkheid tussen man en vrouw gelijkelijk gedeeld wordt spoort niet met de werkelijkheid en niet met de wensen van mannen en vrouwen.
Vrouwen krijgen hun kinderen meestal in een periode van hun leven die cruciaal is voor hun carrière, de periode waarin beslist wordt wie wel kans maakt op de topfuncties en wie niet. Dan wordt de ervaring opgedaan die nodig is voor de top en wie er dan niet full time is, valt af.
Hogere functies vragen de hele mens. Dat is niet zo zeer 100% van hun tijd, maar wel 100% van hun prioriteit. Wanneer de functie het vraagt moet even alles opzij. Dat gebeurt helemaal niet zo vaak, maar toch vaak genoeg om een verschil te maken. Terecht willen vrouwen met een gezin die eerste prioriteit bij hun kinderen leggen. Zouden ze dat niet doen, dan zouden ze falen als moeders en zouden ze als verantwoordelijke mensen eigenlijk beter geen kinderen kunnen nemen. Maar de vaders dan, hoor ik U al zeggen. Dan antwoord ik weer, dat is Sollen en geen Sein. Als vrouwen niet genetisch met die prioriteit waren uitgerust dan zouden er geen mensen meer zijn, terwijl gebrek aan zorg van mannen lastig is, maar niet fataal.
Dat is helaas niet iets dat op de zevende faculteit wordt onderwezen, maar in de biologische subfaculteit maakt de evolutieleer onderdeel uit van het curriculum. Daar zouden sociologen het kunnen navragen.
Natuurlijk kent U allemaal in Uw buurt mannen die wel zorgzaam zijn, ook naast een drukke baan en die alles opzij zetten als dat nodig is voor hun kinderen. Een van mijn kinderen is zelf zo’n soort man en voor mijn kleinkinderen vind ik dat prima, maar statistisch zijn die voorbeelden niet relevant. Neem een representatieve steekproef en U zult zien dat mannen in de leeftijdsgroep met opgroeiende kinderen met hun carrière bezig zijn en vrouwen met hun gezin. Als U verantwoord onderzoek doet, zonder suggestieve vragen en als U de politiek correcte antwoorden elimineert, dan zult U merken dat mannen en vrouwen dat beiden zo willen.
De schrijfster van het artikel zal een aardige en evenwichtige vrouw zijn, neem ik aan. Ik denk dan ook eigenlijk dat ze heel goed weet, dat het ongeveer zit zoals ik hierboven beschrijf. Dat blijkt wel uit de passages in haar betoog, waarin ze de feiten manipuleert. Als ze beweert dat er meer mannelijk hoogleraren in deeltijd werken dan vrouwen en dat dus aan het bezwaar van deeltijdwerken niet zo zwaar moet worden getild, dan vertelt ze daar bewust niet bij dat voor veel mannen het hoogleraarschap een bijbaan is naast een full time baan ergens anders. Dat geldt voor de meeste vrouwen die in deeltijd werken niet. Ze suggereert dat die mannen naast hun baan op de UvA in het huishouden werkzaam zijn, maar dat is in meerderheid van de gevallen niet zo. Voor veel hoogleraren functies is de combinatie van praktijk en theorie een voordeel. Bovendien zijn de mensen met hoge functies in het bedrijfsleven vaak ook de beste die je voor een hoogleraarschap zou kunnen vinden. Die twee factoren tezamen zorgen voor al die buitengewone hoogleraren. Voor een full time hoogleraarschap komen de mensen niet, maar voor een bijzonder en part time hoogleraarschap doen ze dat wel.
Helpt dit soort kleine misleidinkjes de schrijfster bij het bereiken van haar doel, meer vrouwelijke hoogleraren en andere hoge functionarissen? Nee, niet zo lang geschiktheid het uiteindelijke criterium blijft. Geschiktheid voor topfuncties wordt niet alleen door cijfers op de middelbare school bepaald zoals zij suggereert. Bij geschiktheid voor topfuncties gaat het bovendien niet om de geschiktheid van de categorie mannen of vrouwen als zodanig, terwijl zij alleen die twee categorieën vergelijkt. Het gaat om een top promillage binnen de twee categorieën. Als de verdeling van geschiktheid bij mannen een andere curve te zien geeft dan bij vrouwen, wat ik denk dat het geval is, dan gaat alleen daarom al haar vergelijking niet noodzakelijk op. Het betoog dat de verklaring van de ongelijke verdeling van topfuncties is gelegen in de omstandigheid dat mannen hun seksegenoten voortrekken, lijkt me wetenschappelijk niet erg goed doortimmerd.

Advertisements

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in zo maar wat. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s