Geloof en politiek.

Het is een voorschrift van de islam dat in het gebied waarin zij de het voor het zeggen heeft (de Dar al Islam) het Sharia recht hoort te gelden. Iran en een aantal Afrikaanse landen zijn voorbeelden. In Maleisië zijn niet-moslims uitgezonderd maar hebben sharia rechtbanken rechtsmacht over iedereen die als moslim is geboren of zich tot de islam heeft bekeerd. Het adatrechtssysteem in Indonesië bevat bepalingen die in Nederland en alle andere Westerse landen met het daar geldende recht in strijd komen. We interpreteren de vrijheid van moslims hier in dit opzicht zo dat zij die dat willen onderling de Sharia mogen toepassen voor zover dat niet met bepalingen strijdt die hier van openbare orde zijn. Maar hier geldt aan de andere kant ook dat niemand gedwongen kan worden zich aan de bepalingen van de Sharia te houden. Dat geldt niet alleen voor de Sharia maar ook voor alle andere discriminatoire of anderszins met het recht strijdige bepalingen die men in de Koran of in de Hadith kan aantreffen: zij gelden niet in Nederland en dat is een algemene inbreuk op de integriteit van de Islam.
Wie als Nederlandse volksvertegenwoordiger tegen de discriminatoire aspecten van de Islam bezwaar maakt of tegen het met geweld handhaven van sharia regels, die bevindt zich dus in goed gezelschap, te weten dat van de Nederlandse wetgever. In de uitspraak waarin het Amsterdamse Hof opdracht gaf aan het OM om Wilders te vervolgen in diens eerste strafzaak stond dat in sommige uitingen van Wilders ‘haatzaaien’ kon worden onderkend of belediging van bevolkingsgroepen en individuen. Maar gezien de taak van een volksvertegenwoordiger om mee te werken aan het tot stand komen van wetten die de kwalijke aspecten van godsdiensten reguleren, kan men bij dit deel van de uitspraak gevoeglijk een vraagteken plaatsen, wat het OM en de rechtbank vervolgens ook gedaan hebben.
Veel mensen zien de scheiding der machten als een kern van de rechtsstaat. Vanuit dat gezichtspunt gezien was het eerder het Hof dan Wilders aan wie een schending kan worden verweten. Maar het idee alleen al om bepalingen die tot nu toe alleen tegen nazi’s en NSB’ers zijn gebruikt tegen Wilders uit de kast te halen, duidt op een gebrek aan historisch en ethisch besef bij het Hof. Hoe dat ook zij, de rechtstaat eiste van Wilders en zijn aanhang dat zij zich tegen deze kwestieuze uitspraak van het Hof niet zouden verzetten anders dan met procestechnische middelen[1] en dat hebben zij ook niet gedaan.
De Hoge Raad heeft een aantal jaren geleden een kleine christelijke partij het recht ontzegd om een van haar beginselen in de praktijk te brengen[2] omdat de Raad die met de wettelijke humanistische beginselen in strijd vond komen, te weten de gelijkheid van man en vrouw. Uit die uitspraak mag men afleiden dat het mogelijk is en wenselijk kan zijn om delen van een godsdienstig gefundeerde leer te verbieden op grond van het geldende recht. Men mag zulke verboden dan ook propageren zonder het risico te lopen te worden vervolgd wegens haatzaaien en belediging of door een ethisch defect persoon als Pechtold. te worden beschuldigd zich buiten de grenzen van de rechtsstaat te begeven.
Dat de vrijheid van godsdienst in Nederland tot het nationale erfgoed behoort kan niet worden betwijfeld. Het ging daarbij historisch om de vrijheid van de rooms katholieke godsdienst en een aantal afwijkende protestante denominaties. Door de godsdienstoorlogen van de zestiende en zeventiende eeuw was hier en in de omringende landen tolerantie op godsdienstig terrein een staatkundige noodzaak geworden. Hoewel elk van de in dit deel van de wereld gepraktiseerde godsdiensten in beginsel alle andere uitsluit, moest men met elkaar kunnen leven om überhaupt nog te kunnen leven. Godsdienstvrijheid is hier daarom onderdeel geworden van het Contrat Social.
Historisch heeft de islam bij ons alleen in Nederlands Oost Indië een rol van betekenis gespeeld. Onder hun eigen adatrecht hadden de Indonesiërs in de koloniale tijd een grote mate van autonomie, zeker op godsdienstig terrein. Toch kan men bij Snouck Hurgronje nalezen dat voor de islam die vrijheid niet onbeperkt was. De Atjeh oorlog was een rechtstreeks gevolg van de onverenigbaarheid van de islam zoals die serieus in de regio werd gepraktiseerd met het Nederlands Indische recht.
In het algemeen kan men constateren dat vrijheid van godsdienst of tolerantie t.a.v. vreemde godsdiensten een zaak is van de beschaafde naties die het zich kunnen permitteren, maar dat het niet overal op de wereld geldend recht of gewoonte is. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bevat een programma en een ethische norm, zij bevat geen rechtsregel. Hoezeer de vrijheid van godsdienst geen geldend recht is in grote delen van de wereld blijkt uit een overzicht dat regelmatig wordt bijgehouden en gepubliceerd door de organisatie Open Doors[3].
Op die World Watch lijst vormen Noord Korea, Iran, Saoedie Arabië, Somalië, de Malediven, Afghanistan, Jemen, Mauritanië, Laos, Eritrea en Oezbekistan de top elf van landen die de godsdienstvrijheid met voeten treden, d.w.z. met dwang en geweld optreden tegen aan de overheid onwelgevallige godsdiensten.
De criteria die Open Doors daarbij aanhoudt zijn tamelijk sophisticated. De lijst van vijftig zondaars houdt een volgorde aan van erg naar minder erg.
Maar ook buiten deze vijftig zijn er nog veel meer. Wat opvalt is dat er van de vijftig maar vijf niet islamitisch zijn van cultuur en dat zelfs in een land als Turkije, dat zo ten onrechte een tijd lang op de nominatie stond om lid te worden van de EU, de seculiere overheid niet in staat is haar vreedzame christelijke onderdanen tegen islamitisch geweld in bescherming te nemen.
Het hindoeïsme en boeddhisme, de verschillende Chinese levensbeschouwingen waaronder het taoïsme en confucianisme, ze zijn allemaal in staat tot verdraagzaamheid tegen andere religies en overtuigingen, ze komen vrijwel niet voor op de lijst. De lijstaanvoerders zijn de moslims en de communisten. Communisten zijn er bijna niet meer, zodat het probleem van de schending van de vrijheid van godsdienst nu bijna zonder uitzondering mohammedaanse landen en culturen geldt. Wanneer ook India op de lijst voorkomt dan is dat in hoofdzaak omdat dit land zo veel last heeft van mohammedaanse agressie en zich door haar verweer daartegen bloot is gaan stellen aan verwijten van Human Rights organisaties zoals Open Doors.
Een soortgelijk verwijt als India treft in Nederland nu voor de tweede keer Geert Wilders. Hij beweert met argumenten dat zich intolerantie en schending van mensenrechten voordoen onder in Nederland woonachtige moslims en dat daartegen met het strafrecht onvoldoende kan worden opgetreden[4]. Hij constateert dat een groot deel van de in Nederland woonachtige moslims deel uit zijn blijven maken van de gewelddadige cultuur die in het Midden Oosten heerst. Dit impliceert dat men ook in Nederlandse moslimkringen bereid is geweld te gebruiken als ultimum remedium. Dat is niet alleen een kwestie van voorschriften uit de koran en de hadith en dus een theoretische kwestie, maar ook van waarneembare praktijk. Er zijn voldoende verklaringen van voormalige moslims dat ze wegens geloofsafval werden bedreigd en uit de gemeenschap van familie en vrienden zijn gestoten. Geweld en bedreiging met geweld tegen moslimhomo’s en moslimvrouwen die zich aan de Nederlandse wet houden maar niet aan normen van de Islam, zijn regel en geen uitzondering. U kunt er regelmatig over lezen in de krant of op het internet.
Wilders onderkent daarin in een gevaar voor de toekomst van dit land. Niet alleen voor autochtonen maar ook voor allochtonen en hij wijst de verwijten van Pechtold e.a. met recht en reden van de hand. Dat hij zich met zijn bezwaren tegen de islam in meer parlementaire bewoordingen uit zou kunnen drukken en duidelijker onderscheid zou kunnen maken tussen een ethisch ontoereikende godsdienst en haar beoefenaren, dat is allemaal wel waar maar dat is in hoofdzaak een kwestie van smaak. Dat hij zich buiten de rechtsstaat zou hebben begeven is een beschuldiging, waartegen ik in zijn plaats geprocedeerd zou hebben, voor zover die belediging tenminste buiten het parlement zou zijn uitgesproken.
[1] Van cassatie tegen de uitspraak kon in casu om technische redenen geen sprake zijn. Daarom gold hier ook het adagium niet dat iemand op deze uitspraak geen kritiek zou mogen uiten, ‘zolang de zaak nog onder de rechter was’. Deze zaak was na de uitspraak niet langer onder de rechter. Het stond iedereen vrij daar kritiek op te hebben.
[2] Te weten het beginsel dat vrouwen niet als volksvertegenwoordiger kunnen worden gekozen.
[3] Zie de internet site OpenDoorsUSA.org
[4] Het strafrecht bevat maar weinig bepalingen tegen collectieve normschendingen. Het karakter van de moslimsamenleving waartegen de bezwaren van Wilders zich richten produceert per definitie collectieve schendingen van Nederlandse en Europese normen. Tegen individuen die aan collectieve normschendingen deelnemen valt doorgaans moeilijk in strafrechtelijke zin iets te bewijzen. Dat betekent in de praktijk dat het van vervolging niet vlug komen zal

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in geloof, politiek. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s