Intolerantie als strafrechtelijk begrip.

Als je geen intolerantie tolereert ben je dan intolerant of ben je dan juist iemand die opkomt voor tolerantie? De Haagse rechters die uitspraak deden in de tweede rechtszaak tegen Geert Wilders meenden het eerste. Maar niemand weet wat intolerantie eigenlijk is, schreef Syp Wynia[1].
Op 23 juni 2011 is Wilders vrijgesproken nadat hem in zijn eerste proces racistische belediging, aanzetten tot haat, discriminatie en geweld ten laste was gelegd.
Het Openbaar Ministerie wilde dat eerste proces eigenlijk niet, maar het Amsterdamse Hof heeft toen in een onbewaakt ogenblik beslist dat Wilders vervolgd diende te worden. Bij Wilders II stond het OM wel achter de beschuldiging dat Geert Wilders zich in maart 2014 met zijn vraag meer of minder ‘Marokkanen’- schuldig heeft gemaakt aan groepsbelediging en het aanzetten tot discriminatie wegens ras.
Wilders’ raadsman Geert-Jan Knoops waarschuwde dat de rechtbank de trias politica in gevaar bracht, omdat Wilders zijn ‘minder’-uitspraken deed als politicus. Knoops verwees ook naar de vrijheid van meningsuiting zoals die geldt in beschaafde Angelsaksische landen en naar het feit dat ook diverse andere Nederlandse politici zich diskwalificerend hadden uitgelaten over het optreden van grote groepen Marokkanen in Nederland.

Maar de rechtbank wees de eis af om het OM niet-ontvankelijk te verklaren van de hand. Men was van mening dat het nieuwe proces helderheid moest verschaffen over de vraag hoever politici mogen gaan voor ze kunnen worden beticht van discriminatie en haat zaaien.
De Haagse rechters stelden dat Straatsburg van mening is dat volksvertegenwoordigers ‘vanwege hun belangrijke maatschappelijke functie moeten vermijden dat zij intolerantie voeden’. In Wilders II moest volgens de Haagse rechtbank duidelijk worden gemaakt waar naar Nederlands recht tegenwoordig de grenzen liggen.
De vraag tijdens de rechtszaak op Schiphol was of Wilders al dan niet ‘intolerantie voedt’ en zo ja, of hij dat had horen te vermijden. Maar wat is dat dan wel, intolerantie en wat is het voeden van intolerantie? Die vraag is eigenlijk niet beantwoord, niet op een manier in elk geval waar we bij een volgende gelegenheid iets aan zullen hebben.
Dat is eigenlijk het gekke: nog steeds weet niemand wat intolerantie strafrechtelijk nu eigenlijk is. Het idee dat niet alleen ‘discriminatie’ aangepakt moet worden, maar ook ‘intolerantie’ is nog niet zo oud. 25 jaar, ongeveer. Aan het begin jaren van de jaren negentig was er een brede beweging onder politici in West-Europa die zeiden zich zorgen te maken over wat toen betiteld werd als ‘extreemrechts’. Partijen als het Vlaams Blok in België en de SPÖ in Oostenrijk maakten toen grote verkiezingsuitslagen. De traditionele politici wilden een bolwerk opwerpen tegen deze nieuwe concurrentie. Het gemakkelijkste middel daarvoor leek een strafvervolging. In Nederland werd Hans Janmaat een aantal malen vervolgd voor discriminerende uitspraken – van een soort die intussen onder jongere politici gangbaar is geworden.
Het verbieden van de ‘extreemrechtse’ of ‘xenofobe’ concurrentie kwam aan de orde, toen tientallen premiers en presidenten van Europese landen in oktober 1993 in Wenen hun allereerste topconferentie hielden van de Raad van Europa. Daar werd toen vastgelegd dat ‘intolerantie’ bestreden diende te worden. Er werd bij die gelegenheid een ‘Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie’ (ECRI) ingesteld.
In de praktijk is de ECRI een soort surveillerende actiegroep geworden, die landen op de vingers tikt en aanspoort om racisme, en intolerantie te bestrijden. De ECRI bekritiseerde bijvoorbeeld Nederland in 2013, omdat het OM niet in hoger beroep was gegaan na de vrijspraak in Wilders I.
Namens Nederland zit tegenwoordig een van origine Eritrese juriste Domenica Ghidei Biidu in ECRI. Net als veel andere commissieleden heeft ze een enigszins activistische achtergrond op het gebied van ‘transculturaliteit’, ‘diversiteit’ en ‘anti-discriminatie’. Ze is daarnaast plaats vervangend lid van het College voor de Rechten van de Mens.
In enkele zaken werd aan Europese politici door het Straatsburger Hof voor de Mensenrechten onder verwijzing naar ECRI-rapporten, verweten dat ze zich strafbaar hadden gedragen door niet uit de buurt te blijven van intolerantie. Hieruit zou je kunnen concluderen dat er een verzwaarde plicht rust op politici om alles te vermijden wat als intolerantie zou kunnen worden aangemerkt. Dit is een vage norm die in strijd komt met grondbeginselen van ons strafrecht. Het is daarom begrijpelijk dat de Haagse rechtbank in Wilders II heeft afgezien van het opleggen van straf. Nog beter zou het zijn geweest als de rechtbank Geert-Jan Knoops had gevolgd in diens conclusie dat het OM niet ontvankelijk was. Maar kennelijk vond men dat een verkeerd signaal jegens alle Marokkaanse kinderen die bang werden gemaakt met boeman Wilders.

[1] http://www.elsevier.nl/nederland/blog/2016/10/wie-weet-wat-intolerantie-is-wilders-rechters-gaan-het-begrippenbos-in-384829/
Met dank voor het lenen!

Advertisements

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in europa, Nederland, politiek, strafrecht. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s