Etnische loyaliteit.

Willem de Bruin schreef in de Volkskrant van 28 April 2007 een artikel over het onderwerp etnische loyaliteit en stelde daarin de vraag aan de orde wie de aanwezigheid van die loyaliteit bepaalt.
Dat is een hele rationele benadering van de vraag, alsof men bij het krijgen van de Nederlandse nationaliteit of van een verblijfsvergunning een eed zou moeten afleggen om voortaan trouw te zijn aan het nieuwe vaderland en het dan na het afleggen van die eed ook wordt. Dat is de achttiende-eeuwse Amerikaanse benadering, maar niet de etnische.
Loyaal is wie loyaal doet. Om bij een etnische groep te horen moet je de gewoonten en gebruiken van de groep aanvaarden en door de groep worden erkend als lid.
Toen na de tweede wereldoorlog in Indonesië een etnische opstand uitbrak tegen de Nederlanders waren de meeste van onze landgenoten overtuigd van de loyaliteit van hun huispersoneel, op wie veel van hen gesteld waren als op hun eigen kinderen. Die loyaliteit was er ook wel, maar hij stond in verreweg de meeste gevallen achter bij de etnische loyaliteit met de mensen uit de eigen kampong. De groep waartoe je behoort bepaalt in eerst instantie je overlevingskansen en daarom is het etnische instinct diep in de genen geworteld.
Het is een verkeerde vraag of loyaliteit in dat geval bij de koningin, bij de staat der Nederlanden of bij de Indonesische republiek lag of bij een mengeling van de drie. Zij ligt bij de eigen groep, bij de kampong. Is die kampong republikeins gezind dan vormt zij vanuit Nederlands standpunt bezien een voedingsbodem voor radicalisme en terrorisme. Het huispersoneel is in zulke gevallen in potentie een vijfde colonne.
Komen Indonesiërs later als spijtoptanten naar Nederland, dan verbranden ze de schepen achter zich en hebben nog maar één etnische loyaliteit ter beschikking, de Nederlandse. Ze zijn dan de meest trouwe Nederlanders die iemand zich voor kan stellen ook zonder daar ooit een eed op te hebben afgelegd.

Hoe duidelijk het is dat De Bruin de verkeerde vraag stelt blijkt uit het voorbeeld dat hij gaf. De katholieken die in de negentiende eeuw na de liberalisering van de grondwet hun godsdienstige rechten opeisten werden even vijandig bejegend als nu de moslims. Toch waren zij vanouds Nederlanders geweest en geen Marokkanen of Turken. Dat hun loyaliteit bij hun eigen groep lag en dat die groep niet tot Nederland beperkt was en dat de paus van Rome door hen werd erkend als hoogste autoriteit van de groep, boven de eigen Nederlandse majesteit, dat was allemaal onmiskenbaar juist. Katholieken en andere Nederlanders vormden in de negentiende eeuw twee kampen. Dat was ook eerder al zo geweest, maar dat viel toen om een aantal redenen minder op. In de eerste plaats waren er daarnaast andere tegenstellingen in de samenleving, zoals in de zeventiende eeuw die tussen remonstranten en contraremonstranten en later tussen de verlichte en de godsdienstige bevolkingsgroepen. Verder was de openbare uitoefening van de katholieke godsdienst in de tijd van de oude republiek verboden en speelde het katholicisme daarom alleen in de Generaliteitslanden een rol in de publieke ruimte. De etnische vijandigheid die anderhalve eeuw geleden in Nederland opeens aan de oppervlakte kwam was daarom diep geworteld en zij kwam van twee kanten. Zij kwam niet tot een einde door de toegenomen macht van de katholieken, integendeel, maar door een wederzijds assimilatieproces. Dat assimilatieproces heeft een eeuw later tot een conflict tussen de Nederlandse katholieken en Rome geleid, maar het heeft hier wel de etnische tegenstellingen tussen protestants en katholiek opgelost.
Het zuilen systeem werd met terugwerkende kracht zo genoemd in de twintigste eeuw, toen er door assimilatie een einde aan kwam. Men meende toen dat het om een verschijnsel ging van de tweede helft negentiende-eerste helft twintigste eeuw, maar dat was niet zo. De zuilen bestonden al in de zestiende eeuw, maar door de veel beperktere communicatiemiddelen en vanwege hun geringe belang voor het publieke leven vielen ze toen minder op.

In navolging van de socialistische Waterlander Dick Pels noemde De Bruin etnische loyaliteit een nationaal socialistisch fenomeen en gebruikte daarbij de termen ‘volkseigen’ en ‘volksvreemd’. Dat is een beetje dom, omdat etnische loyaliteit een veel ouder verschijnsel is dan het nazisme en door diskwalificaties als die van Pels en De Bruin ook niet zomaar uit de wereld verdwijnt. We hebben voor onze ogen de gevolgen van etnische tegenstellingen op de Balkan kunnen zien en die hadden met een verouderd nationalisme van nazi oorsprong niets van doen. Op de Balkan, in het Midden Oosten, in Darfour en elders in de niet-westerse samenlevingen is etniciteit springlevend. De reactie van Nederlanders op de niet-westerse immigratie doet de vraag reizen of ook het westerse cultuurbesef niet als een vorm van etniciteit moet worden gezien.

In de NRC van 28 april stond de uitslag van een enquête die men gehouden had onder de expat lezers van de weekend editie. Daaruit blijkt ondermeer hoe de expats zich verbazen over de verrechtsing in Nederland en de populariteit van politici als Geert Wilders.
Die verbazing komt voort uit eenzelfde benadering van het allochtonenprobleem als die van De Bruin. Wilders in Nederland en Vlaams Belang in België zijn geen oorzaak maar een gevolg. Het gaat om de politieke vormgeving van etnische weerstand tegen een vloedgolf van immigranten met een vreemde en verwerpelijke cultuur. Het is daarbij significant dat Wilders en zijn volgelingen zich niet richten tegen twee omvangrijke immigrantengroepen, de Surinamers en de Indonesiërs. Die passen zich zo goed mogelijk aan, aan de hier heersende culturele gebruiken en zij zijn afkomstig uit samenlevingen met een verwante cultuur. Wilders richt zich tegen moslims uit de Maghreb en het Midden Oosten. Net als anderhalve eeuw geleden tussen protestanten en katholieken is het ook hier geen eenzijdig proces van degenen die zich als de autochtone Nederlanders beschouwen. De vijandigheid bestaat over en weer. Niet zo zeer tussen moslims en leden van de Nederlandse elite, maar tussen de bewoners van de volkswijken onderling. Die vijandigheid is van etnische aard. Het heeft geen zin die etniciteit met verwijzingen naar de tweede wereldoorlog af te serveren. Het is een probleem dat zich aan de ratio onttrekt, waar een belangrijk deel van de armste helft van de Nederlandse bevolking last van heeft en waar de overheid een oplossing voor moet bieden. Dat is haar taak.
In de ogen van de bevolking is het de Nederlandse overheid die gefaald heeft door vanaf de tachtiger jaren een ongeremde immigratie toe te staan van mensen die voor het merendeel een negatieve toegevoegde waarde hebben aan de Nederlandse samenleving en die weigeren zich aan de hier geldende leefgewoonten aan te passen. Of de autochtone bevolking terecht of ten onrechte meent dat het leven in de volkswijken hun door de nieuwkomers onmogelijk wordt gemaakt is van ondergeschikt belang. Belangrijker is dat zij door er massaal vandaan te trekken te kennen geven dat zij het zo ervaren. Het is begrijpelijk dat expats de gevolgen van de etnische tegenstellingen in Nederland betreuren. De onderlinge afkeer tussen autochtonen en allochtonen van islamitische afkomst maakt inderdaad het leven in Nederland minder aangenaam en dat blijkt uit het emigratieoverschot van autochtonen. Maar het is niet de schuld van Wilders, dat we met dat probleem zitten. Het is de schuld van de Nederlandse overheid, die het probleem niet tijdig heeft onderkend, er geen maatregelen tegen heeft genomen toen het ontstond en er nog steeds geen maatregelen neemt nu het intussen een dringend maatschappelijk probleem is geworden.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in beschaving, Midden Oosten, Nederland. Bookmark de permalink .

3 reacties op Etnische loyaliteit.

  1. Ad zegt:

    Ben het helemaal met uw artikel eens, maar er zit een bepaalde kant aan. U heeft het over Indonesiërs. Ik krijg het gevoel dat u Indonesiërs verward met Indische Nederlanders, ook wel Indo’s genoemd. Het huispersoneel dat u noemt was inderdaad Indonesisch. Maar er waren ook veel Indo’s die Indonesisch huispersoneel hadden en inderdaad last hadden van de loyaliteitsproblemen van hun personeel. Spijtoptanten waren tijdelijk officieel Indonesisch maar in feite waren ze etnisch gezien Indo’s. Dat bleek alras en was de reden om spijtoptant te worden.

  2. akasdorp zegt:

    Je kunt, meen ik, geen spijtoptant zijn als je niet eerst Indonesiër geworden bent.

    • Ad zegt:

      Ja, dat bedoel ik met, “Spijtoptanten waren tijdelijk officieel Indonesisch maar in feite waren ze etnisch gezien Indo’s.” Ik ken zelf enkele van deze Indo’s; hun Nederlands-zijn, al was dat nog zo dun, bijv. één/zestiende Europees bloed, en een opa die ooit iets bij de Nl. regering deed (het omgekeerde van ’t geval bij Wilders zeg maar) leidde toch tot een behandeling door de Javanen die tot spijt leidde.

      Ik reageer omdat mijn Indische vrienden zich nog steeds miskent en gekwetst voelen als ze zich vereenzelvigd zien worden met Indonesiërs, en dat door Nederlanders. Maar ik moet zeggen, ze zaten en zitten in een unieke en gecompliceerde situatie.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s