Paul Schnabel.

Karel van het Reve meende dat als de sociale wetenschappen in de vijftig jaar dat hij zich met het onderwerp bezig hield iets interessants hadden voortgebracht hij daar dan wel van gehoord zou hebben. Ik heb altijd grote bewondering voor deze Van het Reve gehad en beschouw die uitspraak daarom als de definitieve diskwalificatie van een quasi-wetenschap.
Toen ik in 1958 naar Amsterdam reisde om te kijken of het vak mij als studie zou bevallen ben ik al voor het eerste college omgezwaaid naar rechten en heb daar nooit spijt van gehad. Ook als ik later in mijn werk op sociologische vragen[1] stuitte heb ik nooit iets kunnen vinden in de literatuur dat mij een antwoord gaf. Ik moet trouwens bekennen dat ik vaak al ophield voor ik met redelijkheid een antwoord had kunnen verwachten omdat de wolligheid van het taalgebruik mij zo tegenstond.
Dat foute taalgebruik geldt niet voor Paul Schnabel, tot voor kort directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau. Hij schrijft een onderhoudend en begrijpelijk Nederlands, maar heeft het dan ook maar zelden over zijn vak, de sociologie. Wel vaak over proefschriften[2] die in dat vak zijn verdedigd, maar dan citeert hij meestal niet.
Dit keer had hij het over een Tilburgse dissertatie die ging over de relatie tussen verzekeringsartsen en de managers van het UWV, de instelling die over de uitkeringen moeten beslissen. De promovenda Loes Berendsen had een tijdlang meegelopen met de managers en alles genoteerd wat er in hun besprekingen en vergaderingen was gezegd. De besluiten van de keuringsartsen waren voor de toekennende ambtenaren van groot belang. Ook de manier waarop van de keuringen verslag werd gedaan en waarop de bijbehorende formulieren werden ingevuld was medebepalend voor de manier waarop het werk van de managers werd beoordeeld. Toch ontmoetten managers en keuringsartsen elkaar nooit en namen zij hun besluiten op de manier van schepen die elkaar in de nacht passeren. Misschien was dat een voorschrift en misschien gebeurde dat om andere redenen, maar het lijkt mij een interessant fenomeen.
De promovenda, die werkzaam was bij de Inspectie Werk en Inkomen, suggereerde dat het allemaal beter en effectiever kon, maar Schnabel die ouder en wijzer is, bleek daarover minder optimistisch. Hij dacht dat als de aanbevelingen van promovenda Loes zouden worden opgevolgd er nieuwe problemen zouden ontstaan en dat het einde wel eens erger zou kunnenzijn dan het begin.
Ook van promovendi valt, dat blijkt, maar weinig te verwachten als het gaat om het oplossen van praktische problemen die zich op sociologisch terrein voordoen.

[1] Bijvoorbeeld: hoe het komt dat in een bedrijf met ongeveer tachtig medewerkers iedereen iedereen kent, bij voornaam en achternaam, weet of men getrouwd is, kinderen heeft, etc., maar dat die persoonlijke betrokkenheid ophoudt als het aantal medewerkers de honderd overschrijdt? Hoe komt het vervolgens dat zo’n gemeenschap zich dan niet splitst in twee of drie gelijke delen, maar verkruimelt in wel tien of vijftien kleine groepjes? Geen handboek dat daar antwoord op gaf. Zo‘n antwoord is er misschien wel, maar ik kwam het nooit tegen.

[2] Dat schrijven over proefschriften is, denk ik, een kwestie van efficiency. Als promotor of meelezer moet hij die dingen toch doorkijken en er iets over zeggen. Om dat werk dan te combineren met het schrijven van een column schaadt niemand en het scheelt toch weer in de hoeveelheid werk waar je door heen moet komen.

Advertisements

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in wetenschap en filosofie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s