Constantijn de Grote

Constantijn de Grote was een buitenechtelijke zoon van Constantius Chlorus. Chlorus was een generaal, uit een lange reeks van competente generaals die Rome heeft voortgebracht. Hij nam het kind dat op de Balkan geboren werd mee naar huis naar Rome, waar het door zijn wettige echtgenote werd opgevoed tezamen met zijn zes wettige kinderen. Constantius werd later keizer, benoemde zijn zoon Constantijn tot caesar en na zijn vaders dood werd Constantijn, tijdens een veldtocht in Groot Brittannië, door zijn soldaten tot keizer uitgeroepen.
Keizer Constantijn is een van de weinige mensen van wie gezegd kan worden dat hij de wereld bewust veranderd heeft. Niet volgens een van te voren bedacht plan, want dat kan nu eenmaal niet, maar wel in een richting die hij van te voren overwogen had. Wat hij heeft bereikt is dat het hopeloos afglijden van het Romeinse rijk in de barbarij werd voorkomen. Voor het welvarende oostelijke en zuidelijk deel gebeurde dat meteen en voor het westelijke deel op termijn. De westerse beschaving met zijn middeleeuwen, hervormingen en industriële revolutie, humanisme en wereldhandel, is via de kerk van Rome te herleiden tot Constantijn de Grote en diens concilie van Nicene van 325 a.D.. En dat vindt U niet met zoveel woorden terug in de geschiedenisboeken[1]
Het christendom was vóór zijn ingrijpen een losse verzameling buitenissige sekten, vooral populair bij slaven en misfits. Hij heeft al die sekten onder één noemer gebracht en er een kerkelijke organisatie aan gegeven die geënt was op de organisatie van zijn keizerrijk. Dat heeft er voor gezorgd dat het de ruggengraat kon worden van wat we later de middeleeuwen zijn gaan noemen, maar wat beter het christelijk tijdperk zou kunnen heten.
Wat heel schrander van hem was, is dat hij meteen inzag dat de meest rationele tak van het christendom, het arianisme, niet de leidende christelijke stroming kon zijn. Pas toen de kerkelijke reorganisatie voltooid was en al functioneerde, heeft hij nog een keer geprobeerd om ook het arianisme te absorberen, om zodoende meer grip te krijgen op de Germaanse stammen die zich overwegend tot die sekte hadden bekeerd. Maar voor zijn christelijke medestanders in het proces was het intussen genoeg geweest. Die weigerden hun medewerking en het arianisme heeft het daarom op de duur ook niet gered. Alleen de Franken, de Germanen die zich tot het reguliere christendom bekeerden, hebben het gered. Alle Arianen zijn van de aardbodem verdwenen.
Het resultaat van het ingrijpen van Constantijn in het christendom was een robuuste kerkelijke organisatie en een door iedereen onderschreven geloofsbelijdenis, het credo van Nicene, later nog iets aangepast bij de concilies van Constantinopel van 381 en van Chalcedon in 451.
Ondanks het afkalven van het christelijk geloof is dat credo nog steeds een bekend item in de beschaafde wereld omdat het ‘t centrale deel is in al die prachtige gezongen missen in de klassieke barokstijl en in de Gregoriaanse kerkmuziek.
Er zijn maar weinig mensen meer die de betekenis van deze geloofsbelijdenis tot zich door laten dringen en dat is misschien maar goed ook, want het is een onsamenhangende wirwar en geen reclame voor het christelijk geloof. Constantijn heeft er voor gezorgd dat iedereen er het zijne in kon terug vinden. Zelf was hij een bij uitstek rationeel iemand en daarom is het moeilijk te geloven dat Constantijn zich zelf zou hebben bekeerd tot het door hem gecreëerde geloof. Alleen iemand die de geloofsbelijdenis ziet als middel tot een hoger doel kan aan dat ratjetoe zijn zegen hebben gegeven.
Maar het gevolg is wel geweest dat van het aantrekkelijke gehumaniseerde en rationele joodse geloof van Jezus van Nazareth in de middeleeuwen alleen een merkwaardig soort bijgeloof overbleef.
Het christendom van vóór Constantijn telde sekten met sterk uiteen lopende ideeën over de interpretatie van de leer van Jezus van Nazareth. Het was van oorsprong een variant op het jodendom, pasklaar gemaakt door Paulus van Tarsus voor met name het Grieks sprekende en denkende deel van het Middellandse Zeegebied. Het was een van de Griekse elementen, die een definitieve breuk met het jodendom hebben veroorzaakt, te weten de goddelijkheid van Jezus, die op een bizarre manier verenigd werd met het monotheïsme. Men bedacht dat er weliswaar één God was maar dat die bestond uit drie goddelijke personen. Naast de persoon van Jezus van Nazareth werd bovendien de Geest Gods, die in Genesis nog boven de wateren zweefde, tot een zelfstandige persoon gemaakt als gevolg waarvan de ene God van Abraham, Isaac en Jacob nu uit drie personen bestond, te weten de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Die Heilige Geest speelde in de irrationele varianten van het christendom een rol bij de menswording van Jezus, met dien verstande dat het deze Geest was die Maria bevruchtte en zo de samensmelting van God en mens in de persoon van Jezus tot stand bracht. Aangezien de zoon volgens dezelfde geloofsbelijdenis tezamen met de vader de bron had gevormd waar de Heilige Geest uit was ontstaan, werd Jezus hierdoor als het ware zijn eigen grootvader.
De simpele mensen in het westen van Europa wilden daar in eerste instantie niet aan en met name de tot het christendom bekeerde Germanen omhelsden massaal een meer begrijpelijke variant van het geloof, het Arianisme[3], waarin die goddelijkheid van Jezus en de daarmee samenhangende drie-eenheid van de hand gewezen werd. Jezus werd door de Arianen erkend als de menselijke zoon van de Godheid en dat was het dan.
Wie het christendom met zijn fraaie ethiek en heilsverwachting aantrekkelijk vindt, moet het er voor over hebben het bestaan van nogal wat onzin te aanvaarden. Doe je dat niet dan hou je de zaak nooit bij elkaar. Zo ongeveer moet de gedachte zijn geweest van Constantijn en zijn helpers en later ook van grote geesten als Augustinus en Blaise Pascal. Misschien dat ze allemaal de leer van Arius wel voor plausibeler hebben gehouden, maar tegelijk hebben geconstateerd dat je er met de ratio niet komt, als het om een geloof gaat.
Arius had met zijn geloofsopvatting de ratio, het Johannes evangelie en de geschiedenis op zijn hand. Maar Constantijn was meer geïnteresseerd in de eenheid van de christelijke kerk dan in theologische discussies. Athanasius, de metropoliet van Alexandrië, heeft op verzoek van de keizer een compromis geformuleerd tussen de diverse theorieën over de natuur van de Christus en de arme Arius viel buiten de boot.
Jezus, had Arius in navolging van Johannes gezegd, was het woord (van God) dat mens geworden was en tevens het licht dat elke mens verlicht. Wie het aanvaardde gaf hij het vermogen om net als hij zelf een kind van God te worden. Het woord was een schepping van God en dat was Jezus dus ook. Als je het mij vraagt is dat precies wat er in het evangelie staat.
Maar daarmee werd de godheid van Christus ontkend, die door de Grieken was bedacht en die altijd op verzet van een meerderheid van joodse christenen was gestuit. Jezus zelf was jood en rabbi en het is moeilijk voorstelbaar dat hij zich als God beschouwd heeft. Zoals uit de synoptische evangeliën blijkt wees hij beschuldigingen van blasfemie steeds met kracht van de hand. Arius stond dus in een voortreffelijke traditie. Hij had Jezus van Nazareth zelf achter zich staan, maar niet de metropoliet, niet zijn collega’s in het Griekse en antisemitische Alexandrië en, omdat hij een minderheid vertegenwoordigde, ook niet de keizer van Rome.
Hoe dan ook, toen Constantijn, die niet voor niets de Grote wordt genoemd, het christendom uitkoos als religie om een nieuwe eenheid te creëren in het afbrokkelende Romeinse rijk, koos hij voor het christendom in zijn Tertulliaanse vorm en niet voor het Arianisme, wat voor een intelligent iemand als hij de meer voor de hand liggende richting zou zijn geweest. Maar het staat vrijwel vast dat Constantijn zelf nooit erg gelovig is geweest en het christendom zuiver instrumenteel benaderd heeft, vanuit de belangen van het Romeinse rijk. Dat hij zich pas op zijn sterfbed zou hebben laten dopen, vanuit de overweging dat je dan niet meer in de gelegenheid bent om nog veel te zondigen, is een vrome mythe van de geestelijkheid geweest, even als het verhaal over het visioen dat hij zou hebben gehad voor de slag bij de Ponte Milvio.
Zijn keuze voor het christendom was helemaal niet zo voor de hand liggend als de geschiedenis ons wil voorhouden. Het christendom was er in zekere zin nog helemaal niet. Het christendom in zijn middeleeuwse vorm is door Constantijn zelf gecreëerd. Hij is degene geweest die het Concilie van Nicene bijeen geroepen heeft en net zo lang op de bisschop van Rome en de andere metropolieten heeft ingepraat tot alle uiteenlopende varianten van de leer onder één noemer waren gebracht, met uitzondering dan van het Arianisme. Dat werd in Nicene tot een ketterij bestempeld. Voor het overige moet U de geloofsbelijdenis van Nicene nog maar een goed lezen en U zult constateren dat die van tegenstrijdigheden aan elkaar hangt en werkelijk aan elck wat wils biedt
Intussen heeft Constantijn toch een soort wonder verricht. Er was eenheid gebracht in een versplinterd geloof en die eenheid werd van het geloof overgebracht op de staat, waar het de morele kern van ging vormen.
Die staat heeft het, zoals bekend, in het westen van het rijk niet gered op den duur, vooral omdat Rome eigenlijk weinig meer was dan een bestuurlijk en militair centrum. Maar Constantijn heeft naast het Concilie van Nicene nog een andere historisch belangrijke beslissing genomen, de verplaatsing van het bestuurlijke centrum van Rome naar het door hem gestichte Byzantium[2] aan de Bosporus, dat midden in het economische hart van het rijk lag. Daar heeft het eerst als Romeins, toen als Byzantijns en uiteindelijk als Ottomaans rijk zijn bestaan voortgezet tot aan de dag van vandaag.
De triniteitsleer en de goddelijkheid van Christus, die Tertullianus, Augustinus en Pascal er toe brachten om te verklaren dat zij geloofden “quia absurdum” is het belangrijkste en meest steekhoudende argument dat de islam heeft tegen de christelijke leer. Een terugkeer door de paus van Rome en de wereldraad van Kerken naar de leer van Arius zou misschien een eerste stap kunnen zijn om de grote wereldgodsdiensten weer tot elkaar te brengen. Dat zou ons dan misschien in staat stellen om ook de moslims die nu in Europa verblijven in de westerse samenleving te integreren.
Godsdienst interesseerde Constantijn eigenlijk alleen in zoverre dat het de eenheid in zijn rijk kon bevorderen. Voor de rest heeft er in zijn persoonlijk leven nooit enige interesse voor getoond. Zijn biologische moeder, door wie hij, zoals bekend, niet is opgevoed had die interesse wel. Zij was christelijk en heeft het dorp Nazareth gesticht boven het Meer van Galilea, dat sindsdien altijd heeft gegolden als de plaats waar Jezus is opgegroeid.
Voor Constantijn waren het Niceense concilie en de stichting van een tweede hoofdstad vooral stappen in een lange weg die hij is gegaan om de teloorgang van het Romeinse rijk tegen te houden. Hij wilde een nieuw ethos in de plaats stellen van het kwijnende stadspatriottisme van de oudheid. De Stoa was de heersende levensfilosofie van de Romeinse elite uit de vroege keizertijd. De Stoa sprak Marcus Aurelius aan en Ulpianus en andere intellectuele sterren van het Romeinse rijk, maar niet het gewone volk. Een nieuwe geestelijke inspiratie waar ook de gewone mensen zich in konden vinden was broodnodig.
De stad Rome viel al lang niet meer samen met het Romeinse rijk. Dat rijk kon niet langer een enkele stad zijn, het kon op zijn best worden gezien als een soort gemene best van steden met Rome als de dominante hoofdstad en zo zag men het ook wel in de eerste eeuwen van de keizertijd.
Maar, zoals o.a. Toynbee in zijn Study of History zegt, een rijk heeft een beschaving nodig en een beschaving een godsdienst, die als kern ervan kan dienen. Een rijk blijft niet bestaan als er geen levende beschaving is die het samenhoudt.
De oude godsdienst met haar op de belangen van de stad Rome gerichte ethos voldeed al lang niet meer. De bewoners van het rijk konden er zich er niet meer mee identificeren. Een vergoddelijking van de keizer zoals die in het Oosten gebruikelijk was, is als alternatief wel geprobeerd, maar dat sloeg in het Westen helemaal niet aan. Een nieuwe godsdienst die de functie van de oude kon overnemen en de bevolking zowel als het leger kon inspireren was een voorwaarde voor een voortbestaan van het rijk. Zo zag Constantijn het en zo was het ook.
Voor hem zelf betekende dat waarschijnlijk aanvankelijk een soort van overkoepelend deïsme waarin alle heersende godsdiensten een plaats konden krijgen. Naast het christendom was dat ook de godsdienst van de Sol Invictus, die erg populair was bij zijn soldaten. Hij heeft zeker geprobeerd om een fusie tussen die twee tot stand te brengen, onder andere door het samen brengen van liturgische aspecten, zoals de zondagsviering, maar een verdergaande fusie stuitte op te veel verzet.
Het werd uiteindelijk het christendom en dat is met vallen en opstaan gelukt. Terugkijkend kunnen we nu vast stellen dat de structuur van de middeleeuwse samenleving te herleiden is tot wat Constantijn in zijn leven tot stand heeft gebracht. Maar om te beginnen heeft hij van een uit zijn krachten gegroeide stadstaat een echt keizerrijk gemaakt
Rome is ontstaan als een kleine stadstaat en groot geworden door de verovering en exploitatie van koloniale gebieden in samenwerking met de door haar gedomineerde bondgenoten. In de ogen van de Romeinen bleef de stad Rome de belichaming van hun politieke entiteit, niet het veroverde grondgebied in de koloniën of het gebied van de foederati[4].
Het bestuur werd gevormd door een volksvergadering en een raad van ouderen, de senaat. De volksvergadering was letterlijk een vergadering van de burgerij op het forum Romanum en toegankelijk voor iedereen die het burgerrecht bezat. Gestemd werd er in tribus (stammen), een oude indeling die niemand goed begreep en die op geen enkele manier representatief was.
De senaat bestond uitsluitend uit de bestuurlijke en sociale elite, twee groeperingen die praktisch samenvielen. Er was zeker sprake van klassenvertegenwoordiging in de zin dat de senaat stond voor de elite en de volksvergadering voor het volk, maar beide stonden toch in de eerste plaats voor de stad. Rome heeft het zo lang uitgehouden omdat de diverse groeperingen hun particuliere en onmiddellijke belangen ondergeschikt konden maken aan de belangen van het geheel en zich niet alleen richtten op het heden maar ook op de verre toekomst.
In de senaat zaten professionals met bestuurlijke ervaring. Het was het gremium waarin alle belangrijke beslissingen werden voorbereid en bediscussieerd. De jaarlijks te benoemen magistraten en legeraanvoerders kwamen uit de senaat of werden er na afloop van hun bestuursperiode in opgenomen.
Het ethos dat de zaak bijeenhield en de senaat inspireerde was het ethos van het stadspatriottisme. In wezen het ethos dat ook Athene, Sparta en de andere Griekse stadstaten had bezield en dat men bij Plato en Aristoteles kan terugvinden als de basis voor de rechtvaardige staat. De deugden waarmee de burgers zich onderscheidden waren de eigenschappen die de overleving van de stad konden waarborgen.
Rome en Griekenland verschilden daarin van de koninkrijken uit het Midden Oosten. Daar kende men geen burgers maar onderdanen. Hun koningen waren in Griekse ogen tirannen, d.w.z. ze regeerden zonder publieke verantwoording af te leggen en dus zonder legitimiteit. Er was geen res publica, geen openbare ruimte waarin de belangen van de stad door alle belanghebbenden konden worden bediscussieerd: iedereen was als het ware slaaf van de koning.
Romeinen en Grieken zagen de basileus of rex als een teken van barbarij en een aanslag op hun ethos. Het verzet van Demosthenes tegen de Macedonische koningen Philippus en Alexander en de moord van Brutus c.s. op Julius Caesar moeten tegen deze achtergrond worden gezien.
De strijd tussen deze twee vormen van beschaving, de Griekse beschaving van vrijheid en verantwoordelijke burgerzin en de Aziatische met haar tirannieke alleenheerschappij, was het thema van de Griekse geschiedenis, van Herodotus en de Perzische oorlogen tot aan de verovering van Azië door Alexander.
Toen Rome een wereldrijk werd, veranderde noodzakelijk haar staatsvorm. De stadstaat werd een keizerrijk, maar veel van de oude vormen bleven de eerste eeuwen behouden, al kregen ze langzaam een andere inhoud. Ook nadat het keizerrijk in Byzantium haar westelijk deel verloren had en geen Latijn meer sprak bleef het zich Rome noemen[5]. Pas toen Justinianus zich als basileus presenteerde en het consulaat afschafte werd er definitief afscheid genomen van de oude Romeins-Griekse bestuursvorm[6] en werd de strijd van de oude Grieken tegen Azië op een indirecte manier maar toch definitief verloren.
Niet de senaat maar de keizer en zijn hofhouding van slaven en vrijgelatenen bereidden de belangrijkste beslissingen voor en bepaalden het beleid. De volksvergadering was van het toneel verdwenen. Wie belangrijke functies bekleedde kwam nog steeds in de senaat, maar dat was een eretitel, een adelbrief eerder dan een functie met bestuurlijke inhoud. De macht die een senator uitoefende ontving hij niet uit handen van zijn collega’s maar van de keizer, die op zijn beurt op het leger steunde en op zijn eigen administratieve apparaat. Bekwame en rijke mensen van elders werden steeds vaker tot het Romeinse burgerschap toegelaten en later kon men zelfs Romeins keizer worden zonder ooit in Rome te zijn geweest.
De Romeinse keizers die Constantijn voorgingen en onder hen vooral Diocletianus, hadden geprobeerd om een vervanging te vinden voor het oude Romeinse burgerschap als bindmiddel voor het staatsbestel, onder andere door het keizerschap zelf als een quasi religie te presenteren. Bewegingen, zoals het jodendom en zijn aftakking het christendom, moesten het vooral ontgelden omdat zij geen enkele loyaliteit wensten op te brengen t.a.v. deze staatsgedachte. De beroemde christenvervolgingen, waar de jonge christenkerk zijn martelaren aan te danken had, waren het gevolg van de poging van het bestuur van het keizerrijk om de culturele eenheid te bewaren.
Wat Constantijn uiteindelijk deed was een soort if you can’t beat them, join them. Door van het christendom een nationale kerk te maken werd een nieuwe vorm van eenheid gecreëerd, die het de hele middeleeuwen door zou uithouden. Het begin van de middeleeuwen kan daarom ook beter bij het keizerschap van Constantijn worden geplaats dan bij de val van Rome, anderhalve eeuw later. Tegen die tijd had Rome zijn centrale functie al lang verloren en de val van die stad was in hoofdzaak nog van symbolisch belang
Hoe sterk de bindende kracht van het katholieke christendom was blijkt uit het lot van de Germaanse koninkrijken die op het territorium van het West Romeinse rijk ontstonden. Alleen de enkele die zich tot het katholieke christendom bekeerden wisten met steun van de kerk te overleven. De andere, die het Ariaanse versie van het geloof bleven aanhangen verdwenen even snel als ze gekomen waren, terwijl een ervan, het Oost Gothische rijk, toch met afstand het best geïntegreerde en meest belovende van alle Germaans-Romeinse koninkrijken is geweest.
Dat was het gevolg van de vooruitziende blik van Constantijn, aan wie we de middeleeuwse beschaving te danken hebben, maar die zich zelf eerder als een echte Romeinse[7] dan als de eerste christelijke keizer moet hebben gezien
Wat je op de tentoonstelling over Constantijn in de Nieuwe Kerk[8] in Amsterdam niet vond was waarom Arius door een synode in Alexandrië is afgezet als presbyter en waarom hij vervolgens in Nicene door het concilie werd veroordeeld.
Hij had met zijn geloofsopvatting de ratio, het Johannes evangelie en de geschiedenis op zijn hand. Maar Constantijn was meer geïnteresseerd in de eenheid van de christelijke kerk dan in theologische discussies. Athanasius, de metropoliet van Alexandrië, heeft op verzoek van de keizer een compromis geformuleerd tussen de diverse theorieën over de natuur van de Christus en de arme Arius viel buiten de boot.
Jezus, zei Arius in navolging van Johannes, was de logos (van de godheid) die mens geworden was en daarmee het licht dat elke mens verlicht. Wie het aanvaardde gaf hij het vermogen om net als hij zelf een kind van God te worden. De logos was een schepping van God en Jezus dus ook. Als je het mij vraagt is dat precies wat er in het Johannes evangelie staat.
Maar daarmee werd de eigen godheid van Jezus ontkend, die door de Grieken was bedacht maar die altijd op verzet van een meerderheid van joodse christenen was gestuit. Jezus was jood en rabbi en het is moeilijk voorstelbaar dat hij zich zelf als God gezien heeft. Zoals uit de synoptische evangeliën blijkt wees hij beschuldigingen van blasfemie steeds met kracht van de hand. Arius stond dus in een voortreffelijke traditie. Hij had Jezus van Nazareth zelf als support, maar niet de metropoliet, niet zijn collega’s in het Griekse en antisemitische Alexandrië en, omdat hij een minderheid vertegenwoordigde, ook niet de keizer van Rome.
De triniteitsleer en de goddelijkheid van Jezus, zijn de belangrijkste en meest steekhoudende argumenten die de islam heeft tegen de christelijke leer. Een terugkeer door de paus en de wereldraad van Kerken naar de leer van Arius is misschien een mogelijke stap om de grote wereldgodsdiensten weer tot elkaar te brengen, wat ons in staat zou stellen om ook de moslims die nu in Europa verblijven te integreren.
Godsdienst interesseerde Constantijn alleen in zoverre als het de eenheid in zijn rijk kon bevorderen. Voor de rest heeft er in zijn persoonlijk leven nooit enige interesse voor getoond. Zijn moeder wel. Die heeft het dorp Nazareth gesticht boven het Meer van Galilea, dat sindsdien altijd heeft gegolden als de plaats waar Jezus is opgegroeid(?!).
De leer van de joodse rabbi Jezus van Nazareth was een variant op het jodendom en zij is pasklaar gemaakt voor het Grieks sprekende en denkende deel van het Middellandse Zeegebied door Paulus van Tarsus. Een van de Griekse elementen die een definitieve breuk met het jodendom hebben veroorzaakt was de goddelijkheid van Jezus, die op een mysterieuze manier verenigd moest worden met het bestaan van het monotheïsme. Men bedacht dat er weliswaar maar één God was, maar dat die bestond uit drie goddelijke personen. Naast de persoon van Jezus van Nazareth werd de Geest Gods die in Genesis nog boven de wateren zweefde tot een zelfstandige persoon getransformeerd, waardoor de God van Abraham Isaac en Jacob voortaan uit drieën bestond, te weten de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Die Heilige Geest speelde in de oosterse varianten van het christendom een rol bij de menswording van Jezus, met dien verstande dat het deze Geest was die Maria bevruchtte en zo de samensmelting van God en mens in de persoon van Jezus tot stand bracht. De veel simpeler mensen in het westen van Europa wilden daar in eerste instantie niet aan. De tot het christendom bekeerde Germanen omhelsden massaal een voor hen begrijpelijkere variant, het Arianisme, waarin die goddelijkheid van Jezus en de daarmee samenhangende drie-eenheid van de godheid van de hand gewezen werd. Jezus werd door de Arianen erkend als een zoon van de godheid en dat was het dan.
Aan ieder van de drie meest rationele en intelligente geesten in het christendom, te weten Tertullianus , Augustinus en Blaise Pascal wordt de uitspraak toegeschreven ‘credo quia absurdum’ en dat lijkt inderdaad de enige manier te zijn om met dit leerstuk om te gaan. Wie het christendom met zijn fraaie ethiek en heilsverwachting aantrekkelijk vindt, moet het er voor over hebben het bestaan van onzin te aanvaarden. Doe je dat niet, dan hou je de zaak nooit bij elkaar. Zo ongeveer moet de gedachte zijn geweest. Persoonlijk zullen alle drie de leer van Arius wel voor plausibeler hebben gehouden, maar tegelijk moeten ze hebben geconstateerd dat je er met de ratio niet komt, als het om een geloof gaat.
Hoe dan ook, toen Constantijn, die niet voor niets de Grote wordt genoemd, het christendom uitkoos als religie om een nieuwe eenheid te creëren in het afbrokkelende Romeinse rijk, koos hij voor het christendom in zijn Tertulliaanse vorm en niet voor het Arianisme, wat voor een intelligent iemand als hij de meer voor de hand liggende richting zou zijn geweest. Maar het staat vrijwel vast dat Constantijn zelf nooit gelovig is geweest en het christendom zuiver instrumenteel benaderd heeft, vanuit de belangen van het Romeinse rijk. Dat hij zich pas op zijn sterfbed zou hebben laten dopen, vanuit de overweging dat je dan niet meer in de gelegenheid bent om te zondigen , is een vrome mythe bedacht door de geestelijkheid, even als het verhaal over het visioen dat hij zou hebben gehad voor de slag bij de Ponte Milvio, waarin hem werd toegezegd dat hij in het teken van het kruis zou overwinnen.
Die keuze voor het christendom was helemaal niet zo voor de hand liggend als de geschiedenis ons wil voorhouden. Het was er als zodanig namelijk helemaal niet. Het christendom in zijn middeleeuwse vorm is in feite door Constantijn gemaakt. Hij is degene geweest die het Concilie van Nicene bijeen geroepen heeft en net zo lang op de bisschop van Rome en de andere metropolieten heeft ingepraat tot alle uiteenlopende varianten van de leer onder één noemer waren gebracht, met uitzondering dan van het Arianisme. Dat werd in Nicene tot een ketterij bestempeld. Voor het overige moet U de geloofsbelijdenis van Nicene nog maar een goed lezen en U zult constateren dat die van tegenstrijdigheden aan elkaar hangt en werkelijk aan elck wat wils te bieden heeft.
Constantijn heeft later nog wel eens geprobeerd om ook de Arianen in zijn nieuwe dubbelgebouw van staat en kerk een plaats te geven, maar daar wilden de bisschoppen toen niet meer aan meewerken. Genoeg vonden ze genoeg en daar heeft Constantijn het mee moeten doen.
Intussen had hij toch een soort wonder verricht. Er was eenheid gebracht in een versplinterd geloof en die eenheid werd van het geloof overgebracht op de staat, waar het de morele kern van ging vormen.
Die staat heeft het, zoals bekend, in het westen van het rijk niet gered, vooral omdat Rome eigenlijk weinig meer was dan een bestuurlijk en militair centrum. Maar Constantijn heeft naast het Concilie van Nicene nog een andere historisch belangrijke beslissing genomen, de verplaatsing van het bestuurlijke centrum van Rome naar Byzantium aan de Bosporus, dat midden in het economische hart van het rijk lag. Daar heeft het eerst als Romeins, toen als Byzantijns en uiteindelijk als Ottomaans rijk zijn bestaan voortgezet tot aan de dag van vandaag.
Constantijn wordt in de geschiedenis in de eerste plaats geïdentificeerd met het Concilie van Nicea en de veroordeling op dat concilie van het Arianisme. Maar dat waren voor hem maar stappen in een lange weg die hij is gegaan om de teloorgang van het Romeinse rijk tegen te gaan. Hij wilde een nieuw ethos in de plaats stellen van het kwijnende stadspatriottisme van de Oudheid en van de Stoa, een vorm van humanisme die door de Romeinse elite werd aangehangen
De Stoa sprak Marcus Aurelius aan en Ulpianus en andere sterren van het Romeinse rijk, maar niet het gewone volk. Een nieuwe geestelijke inspiratie waar ook de gewone mensen zich in konden vinden was broodnodig.
De stad Rome was al lang niet meer hetzelfde als het Romeinse rijk. Het rijk kon niet langer een enkele stad zijn, het kon op zijn best worden gezien als een soort gemene best van steden met Rome als de dominante hoofdstad en zo zag men het ook wel in de eerste eeuwen van de keizertijd.
Maar, zoals o.a. Toynbee in zijn A Study of History heeft geleerd, een rijk heeft een beschaving nodig en een beschaving een godsdienst of levensopvatting, die als kern ervan kan dienen. Een rijk blijft niet bestaan als er geen levende beschaving is die het samenbindt.
De oude godsdienst met haar op het heil van de stad gerichte ethos voldeed niet langer. De bewoners van het rijk konden er zich er niet meer mee identificeren. Een vergoddelijking van de keizer zoals die in het Oosten gebruikelijk was, was als alternatief al geprobeerd, maar sloeg in het Westen helemaal niet aan. Een nieuwe godsdienst die de functie van de oude kon overnemen en de bevolking zowel als het leger kon inspireren was een voorwaarde voor het voortbestaan van het Romeinse rijk. Zo zag Constantijn het.
Voor hem zelf betekende dat waarschijnlijk een soort van overkoepelend deïsme waarin alle heersende godsdiensten een plaats konden krijgen. Naast het christendom was dat in de eerste plaats de godsdienst van de Sol Invictus, die erg populair was bij zijn soldaten. Hij heeft zeker geprobeerd om een fusie tussen die godsdienst en het christendom tot stand te brengen, onder andere door het samen brengen van liturgische aspecten, zoals de zondagsviering, maar een verdergaande fusie stuitte op te veel verzet.
Het werd uiteindelijk het christendom en dat is met vallen en opstaan gelukt. Terugkijkend kunnen we nu vast stellen dat de structuur van de middeleeuwse samenleving te herleiden is tot wat Constantijn in zijn leven tot stand gebracht.
Over de manier waarop hij te werk is gegaan heeft Jacob Burckhardt, de leermeester van Huizinga, een fraai boek geschreven, Die Zeit Constantins des Grossen.
Het resultaat van het ingrijpen van Constantijn in het christendom was een robuuste kerkelijke organisatie en een door iedereen onderschreven geloofsbelijdenis, het credo van Nicene. Er zijn weinig mensen meer die de betekenis van de geloofsbelijdenis tot zich door laten dringen en dat is maar goed ook want het is een onsamenhangende wirwar. Constantijn heeft er voor gezorgd dat iedereen er het zijne in kon terug vinden. Zelf was hij een bij uitstek rationeel iemand en daarom kan de pretentie van de kerk moeilijk worden aanvaard dat Constantijn ook zich zelf zou hebben bekeerd tot het door hem gecreëerde geloof. Alleen iemand die het uitsluitend als middel zag tot een hoger doel kan aan dat ratjetoe zijn zegen hebben gegeven.
Maar het gevolg is wel geweest dat van het gehumaniseerde en rationele joodse geloof van Jezus van Nazareth in de middeleeuwen een merkwaardig soort bijgeloof overbleef. Pas Thomas a Kempis en na hem Luther en een reeks andere hervormers hebben het simpele geloof van de Bergrede weer onder de mensen gebracht en zij kunnen daarom als de werkelijke grondleggers van het humanisme worden beschouwd.
Van Constantijn de Grote tot aan de tijd van Maarten Luther was de kerk van Rome de dominante factor in de westerse samenleving. Gibbon en zijn tijdgenoten hebben de periode tussen de grote volksverhuizingen en de reformatie voor het eerst minachtend de middeleeuwen genoemd, een verloren periode in de geschiedenis tussen de klassieke en de moderne tijd in. En inderdaad de West Europese samenleving uit de middeleeuwen had meer van de Dar al Islam dan van de latere humanistische beschaving. Maar de ecclesia die de middeleeuwen gedomineerd heeft, met al haar gebreken, is wel de bron geworden van die zelfde humanistische beschaving.
Het woord ecclesia betekende vóór Nicene een lokale christelijke gemeenschap, iets wat later parochie of diocees is gaan heten. Maar sinds Constantijn valt de christelijke kerk organisatorisch samen met het Romeinse rijk. Na het verdwijnen van het staatkundige deel van dat rijk in het westen blijft daar de ecclesia over als het organiserende principe van de samenleving. In het oosten blijven kerk en staat verenigd onder de Byzantijnse keizer. De paus kreeg al snel onmin met Byzantium en erkende daarom haar keizer niet meer. Als gevolg splitste de kerk als geheel zich in twee delen: een Romeins en westers deel en een Byzantijns en orthodox deel. De Grieks en Russisch orthodoxe kerken van tegenwoordig zijn de afstammelingen van Byzantium.
De kerkgeschiedenis houdt zich vooral bezig met de inhoudelijke kant van het christelijk geloof maar wie zich beperkt tot haar staatkundige en maatschappelijke rol kan er niet om heen dat de una sancta een creatie was van Constantijn. Zonder hem was die kerk er niet gekomen en zou het christelijke geloof het waarschijnlijk ook niet gehouden hebben.
Dat er in de geloofsbelijdenis van Nicene zo weinig staat over de kerk zelf is geen toeval. Die is in en door dat concilie opgericht en de regel over de una sancta kan dus eerder als een programma worden gezien dan als de beschrijving van iets dat al bestond.
Pausen uit de middeleeuwen kunnen in het algemeen beter als een speciaal soort vorsten worden gezien dan als leiders van een godsdienstige gemeenschap. Wie de vier canonieke evangeliën leest vindt daar weinig of niets in terug wat aan de kerk van de middeleeuwen doet denken. In godsdienstig opzicht heeft die kerk eigenlijk maar een grote verdienste gehad en dat is dat die vier evangeliën relatief zo ongeschonden over de middeleeuwen heen zijn getild.
Het Romeinse rijk rekte dankzij Constantijn in Oost Europa zijn leven met zo’n duizend jaar, maar veranderde tegelijkertijd grondig van aard en ook van locatie. De Grieks Romeinse beschaving die zich ontwikkeld had in concurrentie met en afwijking van de beschavingen van het Midden Oosten, eindigde in de typisch Levantijnse beschaving van Byzantium, dat in het tegenwoordige Turkije ligt en nu Istanboel heet.
Onder de kerk van Constantijn is te verstaan de post-Niceaanse kerkelijke organisatie die parallel liep met de organisatie van het Romeinse rijk, met een Paus van Rome aan het hoofd, als de afschaduwing van de keizer.
Deze kerk verving een veel democratischer gemeentelijke organisatie waarin iedere lokale christelijke gemeente een grote zelfstandigheid had en waarbij er theologisch grote verschillen waren, onder meer betreffende de godheid van Jezus van Nazareth. De ingreep van Constantijn op het Concilie van Nicea bracht wel eenheid in de geloofsleer, maar hij viel slecht in wat tegenwoordig het Midden Oosten heet. We kennen uit de geschiedenisles de veroordeling van het Arianisme, maar dat was de eerste veroordeling uit vele. De wereldlijke macht hielp voortaan het nieuwe kerkelijke gezag om ketters buiten te houden. Die vluchtten sindsdien nogal eens de woestijn in. De joden werden om andere redenen vervolgd. De joden en christenen die Mohammed leerde kennen in zijn Arabische wereld waren over het algemeen dat soort bannelingen. Die leefden buiten ieder kerkverband en met afwijkende opvattingen over van alles maar vooral over de godheid van Jezus.
Dat de bewoners van het Midden Oosten bezwaren hadden tegen de wereldlijke en kerkelijke macht die hun vanuit Rome en later vanuit Byzantium werd opgelegd staat wel vast. Dat begunstigde het succes van de islam, net als de grote economische bloei die als gevolg van de vrede met Perzië ontstond in Mesopotamië, Syrië en Egypte.
Het credo was een door keizer Constantijn afgedwongen compromis tussen de verschillende opvattingen over de natuur van de Christus. Daarnaast werden een aantal andere theologische twistpunten opgelost, die nu niet meer begrijpelijk zijn voor wie de voorgeschiedenis niet kent.
Het is bekend dat met de Niceense formule een Gordiaanse knoop werd doorgehakt door de keizer zelf, die toen in elk geval nog niet gedoopt was en niet bekend stond om theologische belangstelling van welk aard dan ook. Met theologie had zijn beslissing in elk geval weinig te maken, maar wel met zijn behoefte om de eenheid te bewaren in de christelijke godsdienst, die later door hem tot de centrale godsdienst van het rijk werd geproclameerd.
Van de centrale godsdienst in het rijk van Constantijn is de kerk van Rome het centrum geworden van de middeleeuwse westerse wereld. Niets kon eigenlijk verder afstaan van de eenvoudige prediker van een gezuiverd joods geloof dan de Paus op zijn troon met zijn tiara op het hoofd in de pracht en praal van een middeleeuws pauselijk hof. Toch heeft al die wereldse praal en al het wangedrag van de Renaissance pausen niet kunnen verhinderen dat de boodschap van de man uit Nazareth door de eeuwen heen bewaard is gebleven.
De wereld waarin men leefde, haar ontstaan, haar toekomst tot aan de wederkomst van Christus, de plaats in die wereld van heidenen, joden, mohammedanen en andere ongelovigen, daar dacht iedere christen hetzelfde over en de inhoud van dat geloof was een mengelmoes van christelijke en klassieke tradities. De paus, de westerse keizer en alle andere geestelijke en wereldlijke machthebbers die aan die twee hun gezag ontleenden, waakten over het behoud van dat beeld en van die wereld. De gelovige christen ontleende er zijn identiteit aan en tezamen zorgden machthebbers en gelovigen dat andere ideeën in hun wereld geen kans kregen.
Voor humanisten is zo’n houding als die van Pascal onbegrijpelijk. Pascal verklaarde dat hij geloofde niet ondanks, maar omdat het geloof absurd was, maar dat raakt de kern van het christelijk geloof en ook de kern van het verschil tussen humanisme en christendom. Humanisme gaat voor de ratio, christendom gaat uiteindelijk net als alle andere godsdiensten voor intuïtie en inspiratie.
In de dertiende eeuw probeerde een leerling van mohammedaanse en joodse filosofen en schriftgeleerden, de erudiete Dominicaan Thomas Aquinas, om met groot intellectueel geweld de tegenstellingen in de christelijke leer weg te redeneren. Hij was de grootste analyticus en het beste juridische brein van de middeleeuwen, maar geen Augustinus of Pascal. De dertiende eeuw, waarin Thomas leefde was de laatste waarin de middeleeuwse wereld nog in zijn oude glorie kon worden waargenomen, daarna kwam met de verbanning van de pausen naar Avignon, de afname van hun morele overwicht en de ruimte voor twijfel aan het oude wereldbeeld.
Het protestantisme van Wycliff, Hus, Luther en Calvijn kan als een godsdienstige, maar ook als een culturele revolutie worden beschouwd. Cultureel, in de zin dat Noord Europa zich daarmee afwende van de Mediterrane bakermat van de beschaving. Sinds het protestantisme gaat Noord Europa een eigen weg, staat het los van het oude middelpunt en wordt het zelf aan de kusten van de Noordzee een nieuw wereldcentrum van de beschaving.
Het protestantisme was het take off point voor de moderniteit, maar als geloof heeft het nooit de plaats van het Latijnse Christendom kunnen innemen. Uit het protestantisme ontstond na korte tijd het agnostische humanisme met een ethische inhoud die wel uiteindelijk de plaats van het christendom zou gaan innemen.
Humanisme is een geloof zonder rituelen en zonder god, met een laïcistische ethiek in de vorm van democratie en de rechten van de mens. Die ontwikkeling en de tegenstelling tussen humanisme en protestantisme zat er in de zestiende eeuw al in en werd gepersonifieerd door Luther en Erasmus. Erasmus is de moderne mens die zich niet meer buigt voor de Allerhoogste, maar die ruzie over dat onderwerp uit de weg gaat. Luther onderkent dat beter dan ieder ander. Hij achtte Erasmus een groter gevaar voor het christendom dan de kerk van Rome en wilde door hem niet worden gered. Maar van de regen van Erasmus kwam de arme Luther terecht in de drup van de protestantse vorsten, wat voor altijd de religieuze zelfstandigheid van de evangelische kerk heeft ondermijnd. Luther was een kerkhervormer en een heilige, maar zijn hervorming heeft per saldo de weg vrij gemaakt voor het atheïstische humanisme. Het is de ironie van het noodlot dat hij meer heeft bijgedragen aan de triomf van het humanisme dan Erasmus van Rotterdam, die hij zo terecht gewantrouwd had.

[1] De industriële revolutie, een bastaardkind van de ontluikende Europese wereldhandel en van de wetenschapsontwikkeling van de zeventiende eeuw, ontstond in het protestantse Nederland en werd door Engeland en Frankrijk, later ook in Duitsland en in de andere Europese gebieden overgenomen. De voorsprong op de gebieden rond de Middellandse Zee en de andere oude beschavingscentra in wereld groeide en werd snel onoverbrugbaar. Pas in de twintigste eeuw, na de twee grote Europese burgeroorlogen klampte de rest van de wereld weer aan en ontstond de globalisatie van de economie en de cultuur. Die was intussen definitief humanistisch en postchristelijk geworden.
[2] Er bestond wel eerder een kleine plaats van die naam. Maar Byzantium als hoofdstad van het Oost Romeinse deel van het rijk is door Constantijn gesticht.
[3] Arius was een kerkvader, die de godheid van Christus terecht als een Grieks insluipsel beschouwde in een van oorsprong Joodse godsdienst. Naar het inzicht van Arius en daarnaast ook van het merendeel van de Germaanse inwoners van het Romeinse rijk was Jezus een bijzonder mens maar was het een absurditeit om hem God te noemen. Naar hun goed gefundeerde mening waren er voor die onjoodse stelling ook geen aanwijzingen te vinden in de evangeliën.
[4]De bondgenotenoorlog, die gevoerd werd omdat de Latijnen burgerrecht in Rome eisten en niet kregen is naast de Punische oorlogen de gevaarlijkste oorlog geweest van het klassieke Rome. Het Noorden van Italië was Gallisch, het zuiden Grieks, maar het midden bestond uit Latijns sprekende steden en volkeren die nauw met de Romeinen verwant waren. De claim op het burgerrecht van de bondgenoten was naar onze maatstaven terecht, maar paste niet in de Romeinse politieke conceptie, die nauw aansluit bij de opvattingen die men in de Politeia van Aristoteles kan aantreffen.
[5] Ook de Turkse sultan noemde zich na de verovering van Constantinopel in 1553 de sultan van Rum.
[6] Het keizerrijk was vanaf het begin, eigenlijk al direct bij het optreden van het Julisch Claudische huis, een andere staatsvorm dan de republiek. Geschiedschrijvers als Tacitus begrepen dat wel, maar de meerderheid van de bevolking begroette de keizers vooral als de beschermers van de republikeinse staatsinstellingen en de handhaver van de burgerlijke vrede.
[7] Tijdens het concilie was Constantijn als niet-christen naar men mag aannemen meer geïnteresseerd in de eenheid van de nieuwekerk dan in de juistheid van de leer. Men zou hem in dit opzicht misschien niet voor een christen maar wel voor de eerste katholiek kunnen houden. De katholieke kerk heeft immers altijd meer gehecht aan de eenheid van de leer dan aan de zuiverheid van het geloof. De leer over de dubbele natuur van Jezus die bisschop Anastasius op het concilie had doorgedrukt, wilde Constantijn een paar jaar later weer gedeeltelijk laten herroepen om nog een ketterij de wind uit de zeilen te nemen. Hij verbande Anastasius toen naar Trier in West Duitsland, d.w.z. nog net binnen het rijk maar zover mogelijk weg van de beschaafde wereld. Dit lijkt een duidelijke aanwijzing dat het hem er alleen om ging om het Romeinse rijk te voorzien van een godsdienst die eenheid kon brengen onder alle inwoners.
[8] Die tentoonstelling was te zien vanaf zaterdag 3 oktober 2015 tot en met zondag 7 februari 2016. Van de betekenis van Constantijn voor de Romeinse en Europese geschiedenis was daar niet veel terug te vinden.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in beschaving, geloof, geschiedenis. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s