Nederlandse historici.

In de NRC van 20/9/07 stond een artikel van Steven de Jong, een redacteur van die krant. Het ging over de relatie tussen ambtenaren en burgers en het verschil tussen de belangen van individuele burgers en het algemeen belang. Dat artikel werd ingeleid door de hooggeleerde Frank Ankersmit uit Groningen met een wat kleiner artikeltje, dat ik hier met U wil bespreken.
Ik had kritiek op zijn inleiding. Zij begint met een onderscheid dat Ulpianus (170-223 a.D.), zou hebben gemaakt tussen staat en samenleving en tussen het publieke en het private belang. Dat is een anachronisme. Dit soort onderscheiden bestond in die tijd niet. Het begrip staat kennen we pas sinds eind zeventiende eeuw en het is een idee van Franse oorsprong. L’état c’est moi, zou Louis le Grand hebben gezegd en daarmee bedoeld hebben dat koningschap en uitvoerende macht in Frankrijk samenvielen. Het begrip staat zoals we dat tegenwoordig gebruiken is van negentiende-eeuwse Duitse oorsprong. Kelsen en Von Savigny hebben het geformuleerd.
Waar Ankersmit staat zegt bedoelt hij de res publica van Cicero, iets dat meer lijkt op het Engelse common wealth dan op ons begrip staat. De betekenis van het begrip ligt er ergens halverwege tussen in. De staat is de rechtspersoonlijkheid van de overheid of, als U het niet-juridisch wilt uitdrukken, de staat is de centrale overheid die handelend optreedt . De samenleving is een van oorsprong biologisch begrip, de manier waarop een groep samenlevende mensen zich spontaan organiseert.
Res publica is iets dat tussen de begrippen samenleving en staat in ligt. De officiële kant van de samenleving of het openbare leven is waarschijnlijk de beste vertaling. Het heeft niet alleen politieke, maar ook religieuze en andere openbare aspecten. Alles wat in de publieke ruimte gebeurde en een min of meer officieel karakter had.
Wanneer men onder samenleving verstaat de groep mensen die voor hun overleven van elkaar afhankelijk zijn dan was de samenleving, naar de opvatting van de Grieks Romeinse wereld waar Ulpianus toe hoorde, de stadstaat. Dat klinkt op het eerste gehoor wat raar. In 200 a.D. was het al honderd jaar na Trajanus en reikte het Imperium Romanum van de Donau en de Rijn tot aan de Eufraat en de Kaukasus, maar niettemin: Romeinen zagen de stad Rome als hun samenleving. De rest van het rijk hing er maar zo’n beetje bij.
In Griekenland was de stadstaat de entiteit die volgens Plato en Aristoteles de kern vormde van het leven van een mens. Daar gingen zij trouwens niet zo diep op in, want het sprak in hun tijd van zelf. Het besef dat een mens zonder stad maar een half mens was leefde in die tijd sterk. Perioiken en metoiken, de vreemdelingen die naast de burgers in een stad woonden, hadden wel meer waarde dan vrijgelatenen en veel meer dan slaven, maar het waren daarmee beslist nog geen burgers . Alleen burgers van een stad waren in de ogen van Grieken en Romeinen volwaardige mensen. Zij vormden die stad en stelden hun leven in dienst van haar gemeenschap.
De begrippen samenleving en staat dateren uit de moderne tijd. De Romeinen en Grieken kenden ze niet. Urbs of civitas (polis of politeia in het Grieks) is de verzameling van cives die tezamen een stad vormen. De Civitate Dei van Augustinus wordt in het Nederlands terecht vertaald als De Stad van God, terwijl dat boek toch gaat over het Rijk Gods dat komen gaat. Men kende in de oudheid ook wel andere vormen van samenleving dan de polis, koninkrijken zoals men die met name in Azië had, maar daar moesten Grieken en Romeinen niets van hebben. Dat was verleden tijd. Voor hen gold de eigen stad als de enige vorm van een fatsoenlijk bestaan voor vrije mensen.
De emoties die Brutus en Cassius inspireerden bij hun moord op Julius Caesar kwamen voort uit hun terechte vrees dat de laatste bezig was te zagen aan de wortels van hun samenleving. Maar Caesar zaagde eigenlijk al aan een dode boom. De Stad Rome waar de aanslagplegers voor in het krijt traden bestond niet meer als een zelfstandige samenleving sinds de tijd van de Gracchen en van Scipio Africanus. De Punische oorlogen en de verovering van het Middellandse Zeegebied hadden Rome met taken opgescheept die met de organisatie van de stadstaat niet meer te doen waren.. Toch bleef Ulpianus en bleven de keizers en de burgers van Rome nog eeuwen na Christus Rome zien als de kern en de rest van de wereld als het aanhangsel. En wanneer de paus van Rome met Pasen of Kerstmis de Zegen Urbi et Orbi uitspreekt, dan is dat een laatste overblijfsel van die gedachte. Stad en wereld, de kern en het omhulsel.
Toen Constantijn de Grote in de vierde eeuw de zetel van zijn rijk verplaatste naar Byzantium en het christendom als staatsgodsdienst invoerde, toen pas bleek de verandering definitief. Rome was niet langer de staatsvorm en het Romeinse patriottisme niet langer het heersende ethos. De politieia van de klassieke tijd heeft na Constantijn een slag van 180 graden gemaakt: De Grieks-Romeinse samenleving was na zijn tijd terug bij het Aziatische despotisme dat bij Salamis en Gaugamela voorgoed verslagen leek te zijn.
Res publica is niet hetzelfde als onze staat, zoals dat begrip door de Duitse staatsrechtgeleerden werd gedefinieerd. Het is de gemeenschap waaraan in de oudheid een groot deel van het ego van de individuen en heel hun begrip deugd verbonden was. Ankersmit onderscheidt in zijn inleiding in de Oudheid twee verschillende waardesystemen die men er in het publieke en het private leven op na zou houden en kent aan elk van de twee een eigen logica toe. Die twee soorten logica zijn een uitvinding van de hooggeleerde zelf. Twee verschillende waardesystemen voor publiek en privaat leven in de zelfde samenleving bestonden in de oudheid niet. De deugden die de dienaren van de staat volgens Ankersmit hoorden te hebben zijn rechtvaardigheid en een gevoel voor het algemeen belang. Deze twee eigenschappen zijn zeker onderdeel van de ethiek uit de Oudheid. Maar dat privé personen alleen maar ‘aardig’ zouden hoeven te zijn en verder hun eigen belang zouden kunnen dienen, hoort daar aan de andere kant weer duidelijk niet toe. Waar Ankersmit dat bij Ulpianus zou hebben gevonden zegt hij niet en ik vraag het mij af of hij het vinden kan. ‘Krijgt het eigen belang van de burger in de staat de overhand, vervolgt hij, dan volgt corruptie, omkoopbaarheid, bedrog, oplichting en onrechtvaardigheid’.
Die gedachtegang heeft hij niet van Ulpianus of van welke andere Romein dan ook. Er is maar één vorm van virtus in de oudheid en die is op het publieke leven gericht. Virtus of deugd omvatte, goed beschouwd, een lijst van de benodigde eigenschappen voor publieke functies. Aardigheid en eigen belang kwamen op die lijst niet voor en een onderscheid tussen publiek en privaat werd voor deugden niet gemaakt.
Het onderscheid tussen publieke en private belangen was in de oudheid en ook in de Middeleeuwen veel minder duidelijk dan tegenwoordig. Ambten waren in de oudheid een bron van macht en inkomen en in de Middeleeuwen een vermogensbestanddeel en deel van iemands erfenis. Omgekeerd werd men geacht zijn privévermogen in te zetten voor het publieke belang als dat nodig was. Een beroep daarom op de oudheid als inleiding op een pleidooi voor een duidelijker scheiding tussen publiek en privaat belang is alles behalve voor de hand liggend. Men kende in de oudheid en de middeleeuwen het individualisme niet dat in onze humanistische wereld zo de boventoon voert. Het publieke belang was in de oudheid het enige belang dat telde.
Maar Ankersmit heeft meer bijzondere ideeën en projecteert ze ook niet allemaal op de oudheid. Een bedrijf dat winst nastreeft, zegt hij, bedriegt zijn afnemers(?). Oorlog, belastingheffing en strafrecht zijn volgens hem uitvloeisels van publieke ondeugden. Hoge belastingen en premieheffing zijn in strijd met het algemeen belang en met de rechtvaardigheid. Die stellingen staan loodrecht op het artikel van De Jong, die beweert dat de overheid zich niet zomaar als dienaar van de privé belangen van de burger op kan stellen. Terecht natuurlijk en wie zou anders willen beweren?
Ik ben kennelijk niet de enige die moeite heeft met dit soort beschouwingen van Ankersmit. Ik citeer hieronder uit een recensie van zijn boek De Sublieme Historische Ervaring. De recensie is van de hand van Hans Dedeurwaerder.

………….’Ook inhoudelijk echter is De sublieme historische ervaring een grote ontgoocheling. Geen enkele oorspronkelijke gedachte is te bespeuren, want als Ankersmit niet citeert, dan heeft hij het uitgebreid over zijn held Huizinga of over filosoof Richard Rorty, die blijkbaar een ganse tijd de ‘ervaringsgeschiedenis’ verdedigde, om dan radicaal terug te kiezen voor het taal-transcendentalisme (d.i. taal als overkoepelend en objectief orgaan). Zo krijgen we te lezen wat deze heren dachten en schreven, maar waar blijft de inbreng van Ankersmit zelf? Waar wil hij heen? Akkoord, hij wil naar een geschiedenis van ervaringen, geschiedenis die niet bang is subjectief te zijn, maar nergens somt hij argumenten op die ons in zijn kamp moeten trekken. Hij beperkt zich tot de mening van een voorstander, van een tegenstander, om er dan kort zijn visie op te geven. Maar een theoretisch model geven of zijn stelling te bewijzen in zijn eigenste taalgebruik, dat laat hij na. Waardoor het boek – en dit is hard om te zeggen, omdat er duidelijk veel research en moeite in gestoken is – een ontstellend overbodige indruk geeft. Het brengt niets bij. Lezers die niet thuis zijn in de materie zullen misschien iets opsteken over kentheorie of empirisme, maar dat zijn lezers die een academisch werk in de eerste plaats niet ter hand zullen nemen. Dit is tenslotte geen inleiding.
Wie het best wil aanvoelen waar Ankersmit heen wil, moet eigenlijk gewoon Herfsttij der middeleeuwen zelf lezen. Het bespaart dik 400 pagina’s handleiding.’
Tot zover Dedeurwaerder. Ankersmit is een bewonderaar van Huizinga, maar in geen enkel opzicht diens opvolger. Zijn voorganger op de Groningse leerstoel was Ernst Kossmann, de tweelingbroer van Alfred Kossmann, de romancier. Voor de intellectuele geschiedenis had hij misschien een betere leermeester kunnen hebben. Geyl bijvoorbeeld of Huizinga zelf. De waardering die Ankersmit zo algemeen ten deel viel bij zijn collega’s historici zegt veel over die wereld zelf.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in geschiedenis, Nederland. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s