Verschoningsrecht.

In de NRC stond een rechtbankverslag, geschreven door een vroegere hoofdredacteur van die krant. De verdachte, die meen ik op proefverlof was, had iemand neergeschoten in het café omdat die ‘zijn vriendin had lastig gevallen’ en de vraag was of de vriendin getuigen moest over de vraag of hier voorbedachte rade in het spel was of niet.
De raadsman van de verdachte was van mening dat ze een verschoningsrecht had, omdat het paar twee kinderen samen had en ze al twintig jaar samenleefden, tenminste wanneer de verdachte niet in het gevang zat. De vrouw wilde duidelijk liever niet getuigen, wat niet onbegrijpelijk is, wanneer het ‘lastig vallen’ minder eenzijdig zou zijn geweest als door de verdediging werd gesteld. Haar verdachte vriend was, hoe dan ook, uiterst gewelddadig, zoals dat in strafrechtkringen heet.
De vraag naar het verschoningsrecht werd door de rechtbank in negatieve zin beslist waarmee, behoudens een geslaagd hoger beroep, nu vast staat dat de verdachte zich niet beroepen kan op het leerstuk van het onrechtmatig verkregen bewijs. Zou de vrouw een verschoningsrecht hebben gehad dan had ze door de politie niet veertien dagen mogen zijn vastgezet om haar tot getuigen te dwingen. Of ze nu wel of niets zegt tijdens zo’n veertiendaags verhoor, uit haar vastbeslotenheid kan de rechter natuurlijk wel iets afleiden. Vooral als op andere gronden kan worden vast gesteld dat de verdachte redenen had om niet alleen de vermoorde man maar ook zijn vriendin en de moeder van de twee kinderen te wantrouwen.
De betrokken redacteur vond dat als mensen verschoningsrecht willen dat ze dan maar moeten trouwen of hun samenwoning registreren, daar is de wet nu eenmaal voor. Duidelijk wordt uit dit verhaal dat de man wel rechten heeft gestudeerd in Leiden, maar nooit praktijkjurist is geweest. Dat verschoningsrecht voor naaste familie is er alleen omdat de getuigenis van naaste familie in het algemeen buitengewoon onbetrouwbaar is en men meineed vervolging onder de omstandigheden inhumaan vindt.
Het verschoningsrecht van artsen, advocaten, dominees en biechtvaders heeft een heel andere achtergrond. Dat is er omdat aan de betrokken vertrouwensfiguren onder alle omstandigheden dingen gezegd moeten kunnen worden in de wetenschap dat ze geheim blijven. Dat geldt voor familie niet. Maar dat men naaste familie, waaronder echtelieden, niet wil vervolgen wegens meineed, dat geldt in principe natuurlijk ook voor een vriendin van twintig jaar. Een beetje verstandige officier zal dat ook nooit doen, maar in dit geval ging het erom of de zaak zou stuk lopen op onrechtmatig verkregen bewijs. De rechtbank vond dat kennelijk ongewenst. Daarover kun je verschillend denken maar duidelijk wordt daaruit wel dat dit leerstuk nodig op de helling moet.
Een dag of wat later stond in de Volkskrant een artikel van Sander van Walsum, die betwijfelde of het publiceren van naam en foto van de twee verdachten in een Haagse roofmoordzaak had bijgedragen aan hun aanhouding. Hij achtte het eerder mogelijk dat de vermelding op het NOS journaal had bijgedragen aan hun vlucht- en schietgevaarlijkheid, als het ware met terugwerkende kracht.
Hij meende verder dat de twee verdachten aan de bewuste schending van hun privacy argumenten zouden kunnen ontlenen voor strafvermindering.
U mag dit allemaal onzin vinden en dat is het ook, maar het is het soort onzin dat leeft in strafrechtkringen.
Men is daar helemaal het besef kwijtgeraakt dat het strafrecht vanouds een publieke aangelegenheid is, waarbij het feit dat verdachten bekend zijn bij de hele gemeenschap waarin zij leven een belangrijke rol speelt. Niet voor niets is in kleine besloten gemeenschappen de criminaliteit altijd veel kleiner dan in grote steden en blijft zware criminaliteit daar meestal beperkt tot crimes passionelles. Wordt een verdachte dan vrijgesproken, omdat hij overduidelijk niet gedaan heeft waar hij van beschuldigd wordt, dan werkt de openbaarheid in zijn voordeel.
Wat hem in zo’n geval niet helpt is een vrijspraak of een ontslag van rechtsvervolging om puur technische redenen. Dan blijft het odium van het begane misdrijf aan hem kleven en zo hoort het natuurlijk ook.
Waarom het radicale midden van ons land zo begaan is met de plegers van de meest gruwelijke misdrijven blijft voor mijn een raadsel, en een waar gewone mensen de vinger niet achter krijgen. Ik heb wel strafzaken gedaan in mijn praktijk als advocaat, maar ik begrijp het eerlijk gezegd nog steeds niet.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in strafrecht. Bookmark de permalink .

2 reacties op Verschoningsrecht.

  1. Daan zegt:

    Met een sneer naar Folkert Jensma die het niet zou begrijpen, beweert u: “Dat verschoningsrecht voor naaste familie is er alleen omdat de getuigenis van naaste familie in het algemeen buitengewoon onbetrouwbaar is en men meineed vervolging onder de omstandigheden inhumaan vindt.” Uw bewering is onjuist.
    Minkenhof’s Strafvordering (elfde druk door prof. mr. J.M. Reijntjes, 2009, p. 269): “Het motief voor dit verschoningsrecht is hierin gelegen, dat men de naaste betrekkingen van de verdachte heeft willen sparen voor het pijnlijke conclict hun familielid of echtgenoot te bezwaren of onwaarheid te spreken. Dat verklaringen van naaste verwanten vaak onbetrouwbaar zijn is niet de reden van het verschoningsrecht, daar men hen in dat geval tot het geven van getuigenis onbekwaam zou hebben verklaard.”
    Tekst & Commentaar Strafvordering (online-versie; aantekening 1 bij art. 217 van het Wetboek van Strafvordering): “De getuige die het hier geregelde verschoningsrecht toekomt, kan, door zich te beroepen op dit verschoningsrecht, het belang om bepaalde familierelaties te handhaven hoger stellen dan het belang van de waarheidsvinding in de strafzaak.” Nu zult u zeggen dat deze zin niet meer inhoudt dan een feitelijke constatering over de werking van het verschoningsrecht en niets over de bedoeling ervan en dan hebt u nog gelijk ook, maar daarmee hebt u dan nog niet het tegenovergestelde aangetoond van hetgeen in het boek van Minkenhof staat, vermoedelijk al tientallen jaren en allicht vanaf de eerste druk in 1936.
    Uw bewering is niet alleen onjuist, maar ook onlogisch. Het verschoningsrecht beschermt de waarheidsvinding immers niet tegen onbetrouwbare getuigenissen van naaste verwanten en echtgenoten die zich niet beroepen op hun verschoningsrecht. Hun betrouwbaarheid moet nog steeds door de rechter beoordeeld worden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s