De Gucht en Europa

De bijlage Opinie en debat van de NRC van 1 en 2 september vier jaar geleden ging over Europa. De kwaliteit van de bijdragen varieerde nogal. Een van de minder goede verhalen vond ik dat van de Belgische eurocommissaris Karel de Gucht. Dat was een pagina vol beweringen zonder een enkel overtuigend argument. Als hij zoiets in een verkiezingsdebat hier zou hebben beweerd zou de fractieleider van de PvdA om de andere zin geroepen hebben: daar doet U het weer! Zijn feiten waren onjuist, zijn argumenten waren niet steekhoudend en zijn beweringen op los zand gebouwd. Om niet beschuldigd te worden van diezelfde fout, ga ik er hier nu wat dieper op in.
De Europese Akte van 1987, waarvan De Gucht zegt dat zij het Europese project weer wind in de zeilen gaf, deed twee belangrijke dingen: zij nam een aantal handelsbeperkingen weg en verlegde het accent van de Commissie naar de Raad van Regeringsleiders. Daarop is later in het Verdrag van Maastricht voortgeborduurd en zonder dat was er waarschijnlijk al geen EU meer geweest. Anders dan De Gucht beweerde, hadden die twee besluiten weinig te maken met de dip in de beurskoersen van 1987. De versterkte machtspositie van de Raad tegenover de Commissie was een juridische bevestiging van wat zich in de praktijk ontwikkeld had: ook met de twaalf leden die de Europese organisatie toen had was de commissie al te groot geworden om nog effectief op te kunnen treden.
Die rol werd nu overgenomen door een paar grote landen, met name door Duitsland en Frankrijk, die iedere vergadering van de Raad jaren lang gezamenlijk voorkookten[1]. De Euro als Europese munt was de prijs die Kohl moest betalen aan Mitterrand voor zijn overhaaste hereniging van Duitsland. Een formalisering van de zich ontwikkelende gewoonte om inter-Europese transacties in D-marken af te rekenen was het betere alternatief geweest, maar een alternatief dat door Frankrijk werd afgewezen als in strijd met haar waardigheid.
De crisis in Griekenland had met de D-Mark in plaats van de euro kunnen worden opgelost door een devaluatie van de Griekse drachme. Haar schulden in D-Marken waren er niet door veranderd en een faillissement was evenmin te vermijden geweest als nu. Maar waarschijnlijk waren haar schulden nooit zo hoog opgelopen en had men de onvermijdelijkheid van een sanering veel eerder ingezien. Hoe dan ook, de Griekse, Italiaanse en Spaanse werklozen zouden intussen al lang weer aan het werk zijn geweest zonder euro. Een grondige hervorming van het Griekse staatsbestel en haar economie had kunnen worden doorgevoerd als onderdeel van de hulp bij een sanering, die nu steeds opnieuw wordt uitgesteld.
Dat Griekenland of een van de andere landen de rest ‘vliegen af had kunnen vangen’ door devaluaties tegenover de D-Mark, zoals De Gucht meent, is een slag in de lucht. Dat werd wel beweerd bij het tot stand komen van het Verdrag van Maastricht maar onjuistheden worden niet minder onjuist als zij in commissie worden gedebiteerd. Wat het gevolg is van een koersaanpassing t.o.v. de D-Mark heeft Nederland in 1983 ondervonden. Wij hebben toen de koers van de gulden 2% verlaagd tegen over de D-Mark en daar een decennium lang hogere interest voor betaald. Niemand zal sindsdien meer lichtvaardig devalueren. Maar de mogelijkheid daartoe als een economie ernstig uit haar evenwicht is geraakt is een godsend.
Devaluatie is noodzakelijk als een land lang genoeg meer heeft uitgegeven dan het verdiend heeft. De gemeenschappelijk munt heeft dat probleem niet opgelost. Dat hoopte men wel, maar dat bleek niet zo te zijn. In Brussel werd indertijd beweerd dat notoire zondaars als Griekenland en Italië hun economisch beleid wel moesten aanpassen na de invoering van de euro, maar het tegendeel is gebleken. Ze passen net aan en zadelen de anderen op met de gevolgen.
Dat een Europese Unie zonder gemeenschappelijk munt op de wereldmarkt zwakker staat is juist, maar de D-Mark vervulde die functie tot tevredenheid van iedereen, behalve dan van Brussel en Parijs. De Bundesbank en de Duitse regering hebben altijd beter op de eigen munt gepast dan de Europese autoriteiten op de euro. Niemand heeft bij het Verdrag van Maastricht voorzien dat de speculaties van de financiële markten zich niet rechtstreeks tegen de euro maar tegen de leningen in euro’s van de zwakke landen zouden richten. Ook die markten zelf niet. De zwakke landen werden eerst in staat gesteld om vrijwel onbeperkt tegen ‘Duitse tarieven’ te lenen en pas toen men in de gaten kreeg dat Griekenland nooit meer in staat zou zijn om alles terug te betalen was de beer los. Men zag toen snel dat er nog een paar andere landen waren die in de problemen konden raken en dat vooruitzicht heeft Griekenland de chantagepositie gegeven waardoor we er nog steeds honderden miljarden naar toe sturen terwijl toch iedereeen duidelijk is dat we dat geld in een bodemloze put aan het storten zijn[2]. De schulden van het land verminderen helemaal niet, integendeel die worden van maand tot maand groter.
De stelling dat de Unie stabieler zou worden door naast een gemeenschappelijke munt ook een gemeenschappelijke regering neer te zetten in Brussel is een gotspe. Zolang de bevolking van de lidstaten naar de eigen regering kijkt en haar verantwoordelijk houden voor het nationale welzijn, heeft een Brusselse regering geen legitimiteit. De kans dat de Unie uiteen zou vallen door pogingen tot verdergaande eenwording is veel groter dan dat de samenwerking er door bevorderd zou worden. De Gucht meent dat Brussel legitimiteit heeft omdat de lidstaten de verdragen ondertekend hebben die het ‘Europese Parlement’ en de Commissie hun bevoegdheden hebben gegeven. Legitimiteit is niet iets dat bij verdrag in het leven kan worden geroepen. Een regering is alleen legitiem als haar gezag vrijwillig door de bevolking wordt aanvaard en dat is met Brussel niet het geval. Democratie is een al even complex begrip als legitimiteit. Maar dat de Commissie en het Parlement niet een uitdrukking vormen van de Europese volkswil blijkt wel uit de ontbrekende interesse in Europese verkiezingen. Dat wordt nog gecamoufleerd doordat men de Europaverkiezingen in veel landen laat samenvallen met veel interessantere nationale of lokale volksraadplegingen.
De Gucht’s artikel is een schoolvoorbeeld van het wishful thinking dat de toename in getal en de complexiteit van de Unie sinds de tachtiger jaren heeft begeleid. In plaats van de samenwerking te bevorderen verliest men zich in Brussel in bespiegelingen over de toekomstige macht van Europa. Men beschouwt zich daar graag als het Washington van dit continent, terwijl men helemaal niet in staat is om een gemeenschappelijke taal of cultuur in Europa in het leven te roepen, wat eerste voorwaarden zijn voor een geslaagde staatsvorming. De Gucht beroept zich voor zijn claim op Europese democratie op een parlement zonder macht, dat zich braaf samen met al zijn documentatie iedere maand vier dagen naar Straatsburg laat vervoeren en weer terug naar Brussel, alleen omdat Frankrijk dat ooit bedongen heeft als prijs voor haar medewerking.
Wat De Gucht in feite zei is dat de onevenwichtige Europese constructie die we hebben beter is dan helemaal geen samenwerking, alsof dat het alternatief zou zijn. Samenwerking op allerlei terreinen is in het belang van iedereen in Europa en die zou er zonder Brussel ook wel gekomen zijn en waarschijnlijk veel effectiever.
Hij beweerde dat de ontsporing van de bankensector in de Zuidelijke landen alleen verhinderd is door ingrijpen van Brussel. Dat is domweg niet waar. Het zijn Frankfurt en de Raad die de Zuidelijke landen en hun banken overeind gehouden hebben en de rol van de Commissie en het Parlement was een bijrol.
Dat de bezwaren tegen Brussel tegenstrijdig zijn, zoals De Gucht beweert is op zich wel juist, maar dat komt omdat Brussel nu eenmaal een vat vol tegenstrijdigheden is waar werkelijk niemand zich in kan vinden. Het handjevol invloedrijke politici en journalisten niet, die naar een verenigd Europa streven, maar ook de grote meerderheid niet, die wel samenwerking wil maar geen betutteling vanuit Brussel.
Het is wishful thinking om te menen dat het Brussels-Straatsburger parlement het op een na machtigste parlement in de wereld is. Het Duitse parlement is machtiger, de Franse en Engelse parlementen zijn machtiger en zelfs de parlementen van de kleinere landen zijn machtiger. Als Brussel een besluit neemt dat Duitsland niet bevalt wordt het niet uitgevoerd. Duitsland houdt de koorden van de beurs en de militaire macht in Europa ligt niet in handen van de EU maar in eerste instantie bij de Franse president en de Britse prime minister. Voor zover hun plannen tenminste de goedkeuring hebben van de Amerikaanse president. De militaire macht in Europa berust immers in wezen bij de NATO, die veel meer een voorbeeld is van een geslaagde samenwerking dan de EU.
De Gucht vermeldde als voorbeeld van het democratische gehalte van Brussel het feit dat negentien parlementen van lidstaten zich met succes verzet hadden tegen een Europese regeling van het stakingsrecht. Het feit dat praktisch niemand dit in Nederland heeft opgemerkt en dat de kranten en de TV er nauwelijks aandacht aan hebben besteed, bewijst dat het met dat democratische gehalte niet mee valt. Democratie houdt minimaal in dat wat een regering doet door de bevolking wordt opgemerkt. Alleen dan kan er van goedkeuring of afkeuring sprake zijn.
Dat Brussel geen monopolie heeft op bureaucratie is natuurlijk juist. De lidstaten kunnen er ook wat van. Maar hun wetgevers hebben legitimiteit en zijn democratisch gekozen. Brussel opereert in een democratisch luchtledig. De Gucht verwijt de burgers van Europa dat ze zich te weinig voor Brussel interesseren maar het verwijt hoort omgekeerd te zijn: hoe lang kan deze steen om onze nek nog de voortgang in de Europese samenwerking belemmeren? Zolang Brussel blijft bestaan zal er geen schot komen in de verbetering van de interne handel, zal de juridisch-financiële en verkeerstechnische infrastructuur niet wezenlijk verbeteren en zal de interesse van de bevolking voor de samenwerking minimaal blijven. En dat is jammer.

[1] Dat lijkt sinds de komst van Hollande als premier niet meer zo goed te functioneren.
[2] D’66 fractieleider Pechtold geldt als de meest uitgesproken voorstander van Brussel in Den Haag. Tijdens een verkiezingsdiscussie met aanhangers van Wilders lukte het hem niet één overtuigend argument te verzinnen waarom landen als Nederland en Duitsland de rekening zouden moeten betalen voor het Griekse wanbeheer van de eigen economie en overheidshuishouding.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in europa. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s