Jacques de Kadt.

In de 19e eeuw is in Duitsland en Frankrijk het revolutionaire marxisme ontstaan, als begeleidend verschijnsel van de industrialisatie. Het was geïnspireerd op de mislukte opstanden van de commune in Parijs in 1848 en 1870. Het kreeg in de twintigste eeuw vaste voet in Nederland. De bekende namen die er hier aan verbonden zijn uit die beginperiode zijn die van Domela Nieuwenhuis, Pieter Jelles Troelstra, Herman Gorter en Henriette Roland Holst. Zij hebben aan de marxistische beweging  een romantisch tintje gegeven dat vooral invloed had op de middelbare schooljeugd.

Veel scholen in het Noorden en Westen van het land, waaronder de Rijks HBS in Leeuwarden, waar Pieter Jelles vandaan kwam, zijn een generatie lang een kweekplaats gebleven van salonsocialisten . Van mensen die in alle opzichten deel uitmaakten van de burgerlijke samenleving, maar die bewogen waren met het lot van de minder bedeelden in het land en zich daarom socialistisch bleven noemen. Zo werd het marxistisch socialisme in Nederland tegelijk burgerlijk en salonfähig.

Al voor de tweede wereldoorlog zaten er in Nederland socialisten in het kabinet. Schaper en Van den Tempel behoorden tot de ministerraad die aan het begin van de oorlog met de koningin naar Londen uitweek. Eigenlijk hoorde de SDAP na de eerste wereldoorlog en zeker de PvdA  na de tweede wereldoorlog tot de linkervleugel van de liberaal-humanistische beweging. Dit is de beweging waarvan  D66 zich als de exponent beschouwt in Nederland en waarvan op wereldniveau de Democratische Partij in de Verenigde Staten de voortrekker is.
De gebondenheid van de democratisch socialisten aan het marxisme is een zaak van het verleden geworden na de mislukte oproep tot revolutie van Troelstra. De retirade van de socialistische partij leidde vrij snel tot een afsplitsing van de orthodoxe marxisten die als Communistische Partij Nederland de oude revolutionaire tradities voortzetten. De romantici Roland Holst en Gorter trokken mee de wildernis in en de burgers bleven achter in de SDAP.

Van de schilderachtige figuren die in de eerste decennia van de vorige eeuw in de socialistische beweging een belangrijke rol speelden was Jacques de Kadt waarschijnlijk in intellectueel opzicht de belangrijkste. De man was van huis uit een echte communist. Er was niets burgerlijks aan hem. Hij had de lelijke communistische stijl van schrijven en de neiging om te schelden tegen iedereen met wie hij van mening verschilde, een optreden dat nog het meest doet denken aan het gedrag van boze apen in de dierentuin. Maar hij had daarnaast de enorme belezenheid die zo kenmerkend was voor de eerste generatie socialisten en de toewijding en het praktische politieke inzicht waardoor communisten altijd een invloed hebben gehad die ver uitging boven wat op grond van hun aantal te verwachten was.
In één opzicht verschilde de Kadt van de gemiddelde communist: hij was niet gehoorzaam aan de partijleiding, hij had lef en een ongebruikelijke intellectuele integriteit. Hij was met andere woorden, toen het er op aankwam meer intellectueel dan communist en ook meer intellectueel dan Nederlander.
Deze eigenschappen maakten De Kadt niet populair, hoewel hij in kleine kring wel werd bewonderd. De leiding van de socialistische en communistische bewegingen in Nederland haatte hem met respect en een aantal erkende Nederlandse intellectuelen van burgerlijke huize staken hun bewondering ook niet onder stoelen of banken.
De Kadt heeft veel geproduceerd en vooral zijn politiek-culturele beschouwingen zijn nog steeds de moeite van het lezen waard. Zij evenaren in mijn ogen in kwaliteit zeker de stukken van Huizinga. De kwaliteit in intellectueel opzicht tenminste, want juist naast Huizinga blijkt steeds weer hoe onmogelijk lelijk zijn stijl was. Was hij daarin de gelijke geweest van Huizinga of bijvoorbeeld van een Huib Drion, dan zou wereldfaam zijn deel zijn geweest. Intellectueel heeft Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw eigenlijk geen belangrijker auteur gehad dan De Kadt.

Zijn belangrijkste boek is misschien wel Van Tsarisme tot Stalinisme, een geschiedenis van het Bolsjewisme, geschreven in het midden van de dertiger jaren, toen hij zich zelf nog wel als socialist, maar al niet meer als een gelovig Marxist zag. Deze beschrijving en analyse van het revolutionaire Rusland en het wereldsocialisme, van binnen uit, slaat alles wat er op dat moment over het onderwerp was geschreven, ook buiten Nederland. Hij was niet de eerste die kritisch schreef over het Rusland van Lenin en Stalin, maar wel de eerste die dat deed met een objectiviteit die de gepolariseerde tijd waarin hij leefde vreemd was en met een sympathie voor het socialisme dat bij de andere tegenstanders van het communisme ontbrak. Het ook een veel beter boek dan het later geschreven werk over Stalin van Isaac Deutscher, de derde weg socialist uit Londen.

De precisie waarmee De Kadt in 1935 voorspelde waar het fout zou gaan met het Stalinisme en waarom, wat we te verwachten zouden hebben als niet Hitler, maar Stalin de volgende wereldoorlog zou gaan winnen, is werkelijk verbazingwekkend. Wie de Kadt gelezen heeft en daarnaast misschien het boek van zijn tijdgenoot Koestler, Darkness at Noon, verbaast zich over niets meer dat sindsdien over de Sovjetunie bekend is geworden.

De Kadt heeft ook belangrijke essays geschreven over de Indonesische kwestie, waarin hij (alweer) een later algemeen aanvaarde visie op het probleem ontvouwde, lang voordat zijn gelijk door de feiten werd bevestigd.

Wie geïnteresseerd is in de petite histoire van het socialisme in Nederland kan niet beter doen dan Uit mijn Communistentijd te lezen. Misschien dat U Karel van het Reve prefereert als U aan goed Nederlands de voorkeur geeft boven volledigheid. In De politiek der gematigden, voor een deel contemporaine geschiedenis en daarnaast een politiek programma voor de jaren zeventig, zet De Kadt zijn politieke opvattingen uiteen in een verzameling korte politieke en historische essays . Zijn inzicht in politieke problemen, die voor anderen zijn verduisterd door hun ideologische vooringenomenheden, is frappant. Hij wijdt om een voorbeeld te noemen maar een halve bladzijde aan de Apartheid en vat daarin haarfijn samen wat daar verkeerd aan was. Niet de economische bevoordeling van de blanken boven de zwarten en zelfs niet in de eerste plaats het rassenonderscheid, maar de overtuiging die zelfs op de zwarten werd overgebracht dat de blanken intrinsiek beter waren. De onmogelijkheid dus voor niet blanken om zich ooit uit hun ondergeschikte positie op te werken. Dat was wat de Apartheid zo uitzichtloos maakte en zo deprimerend. Dat dit probleem ooit op zo’n betrekkelijk vreedzame wijze kon worden opgelost mag een godswonder heten en zou zonder de bijzondere persoonlijkheden van Mandela en De Klerk ondenkbaar zijn geweest. Dat is dan ook een van de weinige moderne politieke ontwikkelingen die De Kadt niet heeft voorspeld.

Het is voor mensen uit onze tijd een van de meest aantrekkelijke kanten van de Kadt ’s politieke beschouwingen, dat hij zo veel voorspellingen deed die intussen al uitgekomen zijn en dat ook als zij niet uitkwamen dat niet was omdat hij het helemaal verkeerd gezien had maar omdat het leven nu eenmaal zo vol toeval zit dat niet alles te voorspellen valt.

Een andere aantrekkelijke kant, die samenhangt met zijn onafhankelijke geest die zich bewoog op zelfgekozen paden, is zijn voorkeur voor baanbrekende denkers waar tegenwoordig niemand meer van heeft gehoord. In Verkeerde Voorkeur, toch een van zijn bekendste boeken, zijn de twee langste essays gewijd aan James Burnham en George Sorel. Burnham en zijn managerial revolution krijgt tegenwoordig hier en daar nog wel eens een voetnoot, maar Sorel, waar meer dan de helft van het boek over gaat is echt passé défini.
Toch zijn het geen van tweeën onbelangrijke denkers en zijn ze op gezag van De Kadt een nieuwe bestudering waard.

De Kadt gold als een Gorter kenner en heeft een monografie aan hem gewijd die in mijn ogen niet tot het beste deel van zijn werk behoort. Gorter was voor hem een jeugdheld en in zijn afscheid van het marxistisch socialisme zag hij kennelijk geen reden om zijn esthetische voorkeuren aan te passen. Gorter is poëzie voor gelovigen en het komt veel te kort bij de op vergelijkbare wijze religieus geïnspireerde poëzie, zoals die van Hadewych, Ida Gerhardt of Guido Gezelle. De kracht van de Kadt lag niet in zijn musisch talent, dat blijkt uit zijn eigen abominabele stijl, maar in zijn analytisch vermogen en zijn eruditie. Op dat terrein hebben hij en Huizinga geen evenknie meer gehad in Nederland.

.

Advertenties

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in geschiedenis. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s