Retorica.

De retorica is een middeleeuwse variant van de klassieke rhetorica, de kunst van het openbare debat of ook wel de kunst van het overtuigen van anderen.
Die kunst staat tegenwoordig niet in zo’n goed daglicht, omdat waarheid en integriteit daar nog al eens het kind van de rekening bij worden. De politiek en de advocatuur gelden als haar terreinen. De wetenschap onderscheidt zich van de retorica doordat daar juist wel waarheid, gevoel voor de werkelijkheid en integriteit van de beoefenaren wordt geëist.

Behalve de politicus en de advocaat is ook een columnist iemand die de technieken van de retorica gebruikt om zijn tegenstanders weg te zetten. Een van die kunsten is om de mening die men wil bestrijden eerst zo te formuleren dat die als het ware zich zelf al diskwalificeert. Men bestrijdt dan niet meer iemand met wie men van mening verschilt maar een dwaas en dat scheelt veel. Dat maakt het allemaal een stuk gemakkelijker.
Wanneer het in een tak van wetenschap gebruikelijk wordt om zich van de middelen uit de retorica te bedienen, dan blijkt meteen dat het met de eerbied voor feiten daar slecht is gesteld en dat men eerder met een vaardigheid dan met een wetenschap van doen heeft. Het recht heet daarom de ars boni et aequi en niet de scientia juris. Ook de theologie is geen scientia. Hetzelfde blijkt het geval te zijn met de sociologie en met aanverwante agogische vakken, zoals criminologie of niet-westerse culturele antropologie.

De rechtssocioloog Schuyt, die ooit de Van Praag prijs kreeg van het Humanistisch Verbond, heeft een generatie geleden met hulp van wat anderen de criminoloog Buikhuisen uit diens Leidse leerstoel gejaagd met retorische middelen. Hij deed dat omdat hij bezwaren had tegen de mogelijke maatschappelijke gevolgen van een door deze hooggeleerde opgezet wetenschappelijk onderzoek.

Ook de columnist en socioloog J.A.A. van Doorn en diens kleinere broertje Bart Tromp gebruikten hun talenten en aangeleerde vaardigheden niet voor het dienen van de wetenschap, maar om gelijk te krijgen van het publiek en om tegenstanders onderuit te halen.

Neem het artikel van Van Doorn in HP De Tijd van 9 februari 2007. Hij voer daarin uit tegen Minister Agnes van Ardenne, een vrouw overigens met wie ik in haar functie van minister niet zoveel had. Ik vond ook toen al de hele ontwikkelingshulp een onding, dat meer kwaad dan goed heeft gedaan en bovendien iets dat niet op de weg van de overheid ligt. Mevrouw van Ardenne vond ik het soort persoon dat de Amerikanen een do-gooder noemen, iemand met een op niets gebaseerd moreel superioriteitsgedrag, dat normale mensen op de zenuwen werkt.
Niettemin, het artikel van Van Doorn zette haar weg als een karikatuur van haarzelf. Hij haalde niet aan wat zij werkelijk gezegd had en vertelde niet wat zij werkelijk gedaan had, maar beschreef dat op zo’n manier dat de minister al veroordeeld was, zonder dat hij de moeite hoefde te nemen om op haar standpunt in te gaan.
Dat standpunt was dat de boeren in Afghanistan de papaver teelt moet worden gegund om reden dat we naast de papaverkwekers in dat land al vijanden genoeg hebben. Een verkeerd standpunt lijkt me en bovendien gaat zij daar als minister van ontwikkelingshulp niet over. Van Doorn zou, als hij iets tegen Van Ardenne heeft beter de ontwikkelingshulp als zodanig op de korrel hebben kunnen nemen, bijvoorbeeld als volgt:

Professor Piet (niet Fred) Emmer heeft in een artikel in het NRC Handelsblad de stelling geponeerd dat, als er een verband bestaat tussen ontwikkelingshulp en economische groei, dit verband negatief lijkt te zijn. Erg veel concreet bewijs voor deze stelling voert hij niet aan, maar dat hoeft ook niet. Als het omgekeerde waar zou zijn, als er een aantoonbaar en positief verband zou zijn tussen ontwikkelingshulp en economische groei in ontwikkelingslanden, dan zou het bewijs snel worden geleverd en aan de wereld voorgelegd. De cijfers die dat aantonen zouden door de betrokken instanties van de VN en van de nationale ontwikkelingsorganisaties volop worden gepubliceerd. Welk overtuigender middel zou er immers zijn om de rijke westerse landen aan te sporen hun bijdragen te verhogen, dan een aantoonbaar succes uit het verleden? Een van de vele ontwikkelingshelpers die op het artikel van prof. Emmer reageerden stelt dat er metastudies zouden zijn van de wereldbank waarin wordt aangetoond dat zo’n positief verband er is. Hij publiceerde de conclusies van die studies niet en gaf ook geen vindplaatsen, zodat we zijn uitspraak niet kunnen controleren. Maar erg waarschijnlijk is die stelling niet. Gelooft u maar gerust dat we op de hoogte zouden zijn gesteld door alle belanghebbenden en dat zijn er nogal wat. Onze minister van Ardenne bijvoorbeeld heeft haar hele leven in de ontwikkelingshulp gezeten en zij beschikt als minister nu over voldoende financiële en andere middelen om aan te tonen dat dit allemaal niet voor niets geweest is. Als dat tenminste werkelijk zo zou zijn, quod non.

Wanneer U de argumenten van de verdedigers van ontwikkelingshulp op een rij zet, dan kunt U gemakkelijk zien dat er geen enkel concreet voorbeeld van een geslaagde economische ontwikkeling wordt genoemd, die door de verstrekte hulp is aangestuurd. Er is wel economische verbetering te zien in ontwikkelingslanden, zegt een van de verdedigers. Dat is inderdaad waar, in India bijvoorbeeld, maar is er verband met de verstrekte hulp, dat was de vraag. Hulp kan heus wel succesvol zijn en dat succes kan ook gemeten worden. We kennen allemaal de Marshall hulp in Europa van na de tweede wereldoorlog, en de hulp die Amerika na de tweede wereldoorlog en tijdens de Korea en Vietnam oorlogen in Oost Azië heeft verstrekt. Ten dele spectaculair succesvolle hulp, maar allemaal verstrekt aan gebieden met een behoorlijke infrastructuur en een welvarend en geürbaniseerd verleden, geen echte ontwikkelingslanden.

Als hij Mevrouw van Ardenne zo zou hebben aangepakt dan zou hij de retorische middelen in de kast hebben kunnen laten, maar hij heeft een goede reden om dat niet te doen. Ontwikkelingshulp is in Nederland zoiets als het kerstkindje of Sinterklaas. Iedereen is er voor en wie zich er in het openbaar tegen uitspreekt die krijgt nooit gelijk van het publiek. Daarom deed Van Doorn het liever anders.

[1] Echte ontwikkelingslanden zijn overwegend landen met een cultuur van primitieve landbouw en van jagen/verzamelen. De manier van leven dus uit voorhistorische tijden. De maatschappelijke verbanden in dat soort landen zijn te klein en niet ingesteld op grootschalige handel en industrie. De ontwikkelingshulp is afkomstig uit landen waar wel alles grootschalig is en dat botst dus.

[2] Anton Constandse, in zijn jeugd socialist maar later hoofdredacteur van Het Handelsblad, viel in zijn nadagen terug in het fanatisme van zijn jeugdjaren. Vlak voor zijn overlijden begon hij een campagne tegen Sinterklaas tegen wie hij als humanist gegronde bezwaren had, ontleend aan zijn afkeer van de godsdienst en aan de discriminatie tegen zwarten die samenhangt met het optreden van Zwarte Piet. Succes heeft de campagne toen niet gehad. Hij was zijn tijd gewoon te zeer vooruit

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in columns in de krant, ethiek, ideologie, maatschappelijk, overheid, politiek. Bookmark de permalink .