Erik-Jan Zürcher, veel dommer kan het niet.

De een na laatste keer dat Nederland voorzitter was van de Raad van ministers was in 2004, 13 jaar geleden. Toen lag bij ons de taak om de hervatting van de toetredingsonderhandelingen met Turkije voor te bereiden. Het kabinet Balkenende II, in de persoon van de minister voor Europese zaken Ben Bot , vroeg daarvoor advies aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Deze raad belastte de latere directeur van het IISG, Turkije kenner Erik-Jan Zürcher, met het schrijven van het advies. Dit advies luidde, kort samengevat, laat Turkije toe tot de Unie, als het de Turken tenminste lukt om de invloed van het leger in het staatsbestel terug te dringen. Turkije zal pas democratisch zijn, vond Zürcher, wanneer de islamitische meerderheid van het land niet langer gehinderd wordt door het leger om de islam weer de overheersende factor te maken in het openbare leven van het land. Wat Zürcher daarbij bezield heeft zal wel altijd een raadsel blijven. Het leger was in Turkije de hoeder van de grondwet en de islam is altijd een vloek voor het land geweest.

Dit advies werd door de regering overgenomen en het bepaalde de toelatingsbeleid van Bot t.a.v. Turkije tijdens het Nederlandse voorzitterschap. Zürcher kreeg er de hoogste onderscheiding voor, die Erdogan te vergeven had. Intussen is gebleken dat het de partij van Erdogan niet ging om toe te treden tot de EU maar om met behulp van de EU de macht van het leger en die van de andere seculiere krachten in het land te breken. Het was niet hun bedoeling om een westerse vorm van democratie in te voeren die het land geschikt zou maken om mee te doen in Europa, maar om het terug te loodsen naar de plaats in de moslim wereld, die het vóór het optreden van Moestafa Kemal Ataturk had ingenomen. Dat was een overheersende plaats, waarin de toenmalige hoofdstad Stamboel de regeringszetel was van de sultan, de kalief van de gelovigen.

Martin Janssen schreef over deze ontwikkelingen in Turkije op 2 juli 2010 een stuk in de Volkskrant en Joost Lagendijk gaf er op 6 juli in dezelfde krant een antwoord op. Janssen vond dat door de politiek van de partij van Erdogan het seculiere karakter van de Turkse staat van Ataturk op het spel werd gezet en daarmee de geschiktheid van het land voor deelname aan de Europese Unie. Lagendijk vond dat de beweringen van Janssen kant noch wal raakten zonder duidelijk te maken waarom. Hij volstond met op te merken dat het beleid van Erdogan de steun heeft van alle Europese instellingen, inclusief de Raad van Europa en zijn gespecialiseerde juridische adviesorganen.

De Raad van Europa is helemaal geen instelling van de EU. Het is een mensenrechtenorganisatie die net als het Europese parlement haar zetel heeft in Straatsburg. Het is geen politiek orgaan, maar wil wel graag meer leden. Turkije was van deze organisatie kandidaat lid. Men pleitte in Straatsburg voor toetreding van Turkije, niet omdat de voormalige Ottomaanse gebieden zo democratisch zouden zijn, maar omdat men daar hoopte dat ze het door een toetreding zullen worden. Zo was dat met Roemenië en Bulgarije ook gegaan. Maar Turkije is een land van een heel ander kaliber dan Roemenië. Niet alleen veel groter, met een veel grotere en sneller groeiende bevolking, maar een land met een grote historie en allerminst van plan om zich op welk punt dan ook de wet te laten voorschrijven door Brussel. De affaire Cyprus, waarin Turkije overigens het gelijk goeddeels aan zijn kant had, was daar een voorbeeld van.

Janssen beweerde op goede gronden dat Erdogan helemaal geen toetreding tot Europa wilde en heeft  intussen zijn gelijk gekregen. Het land heeft  alleen voor zijn eigen binnenlandse doeleinden de voorwaarden gehanteerd die Europa aan zijn toetreding stelde. Die voorwaarden zouden Erdogan in staat stellen om wetgeving door te voeren die zijn regering de mogelijkheid  gaven om de grondwet van Ataturk af te schaffen. Het verklaarde einddoel van de partij van Erdogan was altijd al om het land terug te voeren in de Oemma en de Dar al Islam. Het Turkse leger was afhankelijk van de westerse morele steun en van westerse wapenleveranties om haar onafhankelijke positie tegenover de islamitische organisatie van Erdogan te kunnen handhaven. Toen  Amerika en Europa niet langer het leger maar Erdogan bleken te steunen omdat die ondemocratische en autoritaire man voorwendde Turkije in de EU te willen brengen, was het leger niet langer in staat de seculiere grondwet van het land tegen moslim  aanvallen te beschermen.

Dat het leger er niet op uit was om zelf het land te regeren en dat het sinds Kemal Ataturk alleen corrigerend optrad in de politiek als de grondwet in gevaar bleek, bewijst het verleden. Iedere keer is het na een ingreep weer braaf naar de kazernes teruggegaan nadat het voortbestaan van de grondwettelijke rechten in het land was gesecureerd. Lagendijk zag Turkije als een democratisch land en intussen is gebleken dat het dat niet langer  is. Vraag het de Koerden en Armenen, vraag het de christenen, die er hun leven niet zeker zijn.

Turkije is een moslim land, maar het is een tijdlang op weg geweest om democratisch te worden. Ataturk had daar een programma voor opgesteld in het besef dat een dergelijke verandering niet van de ene dag op de andere kan worden verwezenlijkt. Dat programma is een aantal malen onderbroken wanneer het moslim partijen lukte om met steun van de primitieve, vruchtbare en streng islamitische bevolking van Klein Azië aan de macht te komen. Iedere keer dat zich een dergelijke aanslag op de seculiere staat voordeed, heeft het leger ingegrepen om erger te voorkomen.

Het ziet er nu naar uit dat het paradoxale plan van Ataturk definitief is mislukt, het plan om met niet-democratische middelen een democratie in Turkije te vestigen. Erdogan zette die poging op zijn kop en toonde aan dat het mogelijk is om met democratische middelen een niet-democratisch regime in het leven te roepen. Maar dat wisten we al sinds de verkiezingsoverwinning van Hamas in Gaza en dat hadden we trouwens ook in Europa al eens eerder meegemaakt, toen in 1933 Hitler via verkiezingen de macht in handen kreeg in de Weimar republiek..

Het horkerige optreden van Erdogan, een jaar eerder in Davos, tegen de Israëlische president Peres, de bewapende ‘charitatieve’ Turkse missie naar Gaza, het optreden in de Veiligheidsraad van de VN, het laat allemaal zien dat het verbreken door Turkije van de goede relaties met Israël vooropgezet is geweest, precies zoals Janssen beweerde. Voor het hernemen van haar vooraanstaande positie in de moslim wereld was voor Turkije vijandschap met Israël en de westerse wereld een voorwaarde. De belangrijkste  stap in die richting is intussen genomen en het verbreken van de goede betrekkingen van Turkije met Europa was het logische vervolg . Nu is de paradox compleet en heeft Turkije met behulp van Europa de relaties met Europa praktisch verbroken. Erik-Jan Zürcher heeft die onderscheiding van Erdogan wel verdiend.

 

Advertisements

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in geschiedenis, Midden Oosten. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s