Humanisten en zware criminelen.

Waarom humanisten zo begaan zijn met de plegers van de meest verschrikkelijke misdaden, begrijpen gewone mensen niet en ik, die als advocaat toch best mijn portie strafzaken gedaan heb, begrijp het eerlijk gezegd ook niet.

Een paar jaar geleden stond in de Volkskrant een artikel van Sander van Walsum, die eraan twijfelde of het publiceren van naam en foto van twee verdachten in een Haagse roofmoordzaak had bijgedragen aan hun aanhouding. Hij achtte het eerder mogelijk dat de vermelding van die persoonsgegevens op het NOS journaal had bijgedragen aan hun vlucht- en schietgevaarlijkheid, als het ware met terugwerkende kracht.

Hij meende verder dat de twee verdachten aan deze schending van hun privacy argumenten zouden kunnen ontlenen voor strafvermindering.

Het is dit soort onzin dat leeft in strafrechtkringen en in een wijde kring van publicisten er omheen. Humanisten zijn bijna per definitie mensen die misdadigers beschouwen als minder bedeelden in de samenleving want waarom zouden ze anders zulke verschrikkelijke dingen doen?

Ook vindt men het onterecht om onderscheid te maken tussen mensen die van criminaliteit hun beroep en hun leven gemaakt hebben en mensen die per ongeluk tussen de raderen van justitie zijn terecht gekomen. Bijvoorbeeld omdat ze het verschil tussen belastingontduiking en belasting ontgaan niet hebben kunnen zien. Dat laatste is een verschil, waar ook gestudeerde fiscalisten soms moeite mee hebben. Maar iemand die in zijn  gewelddadigheid de schrik vormt van zijn omgeving is een heel ander soort crimineel dan iemand die onbewust de grenzen van het nog net wel en het net niet meer toelaatbare heeft overschreden.

Eigenlijk zou strafrecht gereserveerd horen te blijven voor de schending van de belangrijkste waarden en normen van de samenleving, van normen die als ze straffeloos overschreden zouden kunnen worden de samenleving onleefbaar zouden maken. Er zijn delen van de samenleving waarin dat straffeloos overschrijden tegenwoordig al min of meer gewoonte is geworden en die dus ook behoorlijk onleefbaar zijn geworden. Maar daar wonen Sander van Walsum en de andere redacteuren van de Volkskrant niet. Die buurten kennen ze alleen van horen zeggen.

Om met medelijden over zware misdadigers te kunnen spreken is het nodig om tot deze mensen een grote afstand bewaren. Om ver weg te wonen van de wereld waarin misdaad tot een gewoonte is geworden. Zit je er midden in, dan kun je het onderscheid tussen boven- en onderwereld heel goed maken. In de armere buurten van de samenleving zijn de misdadigers nu juist niet de minder bedeelden, het zijn vaak de mensen die alles  hebben wat hun hartje begeert en als ze iets niet hebben dan pakken ze het.

Mensen die daarmee geconfronteerd worden vinden dat de overheid er in de eerste plaats  is om ze tegen misdaad te beschermen en daarin hebben ze gelijk. Bijna al het andere wat er op het bord van de overheid is bijgekomen in de loop van de tijd is luxe en kan er als het moet weer af, maar de misdaadbestrijding is essentieel.

Een overheid die het op dat punt laat afweten verzaakt en zij verliest haar bestaansrecht.

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in maatschappelijk, overheid, strafrecht en criminologie. Bookmark de permalink .