Over voetbal.

Er gebeuren bij het voetbal meer dingen op het veld dan op de plek waar de bal is en ook meer dan de meeste toeschouwers opvalt. De TV en het stadion kijken naar de bal en camera’s zijn maar zo heel nu en dan op de rest van het veld gericht. Wat ergens anders gebeurt valt niemand op, tenzij je je voorneemt er speciaal op te letten.

De trainer heeft bij het opleiden van spelers het meeste moeite met het leren spelen zonder bal. Maar toch gaat het daarom, vooral als je beter wil worden dan een ander elftal. Je moet zorgen dat aan de ene kant een overrompeling wordt voorkomen bij onverhoopt balverlies en dat aan de andere kant iedereen die de bal krijgt twee of meer afspeelmogelijkheden heeft, liefst in de diepte.

Dat betekent lopen, bewegen, praktisch de hele wedstrijd door, vooral als middenvelder en als spits. Voor een verdediger betekent het altijd in de positie spelen en rugdekking geven aan de andere verdedigers.

Lopen kun je verkeerd doen. Op het verkeerde moment of in de verkeerde richting of zonder dat de speler die de bal heeft het kan verwachten. Allemaal fout. Als je goed op elkaar bent ingespeeld weet je als spits waar de spelbepalende middenvelder de bal bij voorkeur heen dirigeert. Die kant loop je dan op. Of dat doet juist je maatje en jij loopt net even eerder een andere kant op om een gat te trekken.

De kunst is om de verdediging van de tegenpartij uit elkaar te halen. Dat doe je het beste door meer dan een verdediger naar je toe  te laten komen terwijl je de bal niet krijgt. Die gaat dan naar iemand anders van jouw team die van jou bewegen gebruik gemaakt heeft  door iets langzamer naar een deel van het veld te lopen waar de tegenpartij dan een verdediger te kort komt.

De spelverdeler, dat is iemand anders, die beter kan voetballen dan jij en die de kunst verstaat om de bal neer te leggen waar hij wil. Als hij ook nog hersens heeft, wat niet altijd het geval is, kan hij uitkiezen wie hij in een kansrijke positie brengt; d.w.z. als de anderen het goed gedaan hebben intussen. Zij moeten dan met z’n tweeën of drieën op het juiste moment zijn gaan lopen.

Is de tegenstander verdedigend ingesteld en hangen ze met z’n allen voor de pot, zoals dat heet, dan werkt hard rennen niet altijd. Daar heb je  dan te weinig ruimte voor. Dan moet je elkaar snel en zo zuiver mogelijk de bal toespelen, tot er een keer ruimte komt. Kwestie van geduld. In zulke gevallen moet je iemand hebben die een actie kan maken. Iemand als Messi of Robben. Kunnen pingelen noemden wij dat vroeger. Als dat een buitenspeler is, is dat meegenomen. Die heeft sowieso meer ruimte en die hoeft bovendien maar een kant op te kijken; die kan na een gelukte actie de bal voor het doel gooien, vanuit een positie waarin buitenspel niet mogelijk is. Heb je een kopsterke spits dan  zit je goed met zo’n buitenspeler.

Een andere mogelijkheid is het spelen van snelle een-tweetjes door het centrum van de verdediging van de tegenstander. Kan ook, maar daar heb je twee of drie technisch heel goede spelers voor  nodig en die zijn er niet altijd. Bovendien moet de tegenstander meewerken en dat doet hij ook niet altijd. Snelle een-tweetje kunnen behoorlijk wat blessures opleveren en dat heb je er niet altijd voor over. Hangt ook van de scheidsrechter af trouwens.

In het algemeen, maar niet altijd, is de kwaliteit van het samenspel in een team belangrijker dan de individuele kwaliteiten van de spelers. Je moet een bal kunnen aannemen, kunnen lopen en een pass kunnen geven. Kun je dat allemaal niet dan valt er ook niet samen te werken.

Maar soms is een speler individueel zo goed, dat hij het hele team beter kan laten spelen. Cruyff was zo iemand, maar Van Basten gek genoeg niet. Daarom is hij ook niet een echte toptrainer geworden. Mooi om naar te kijken, dat wel. Hij heeft die prachtige goal gemaakt tegen Rusland, die iedereen zich nog herinnert. Dat was geluk natuurlijk, maar het was een beauty.

De mooiste goal ever was trouwens van Cruyff, die goal tegen Haarlem en nog meer de actie die hij maakte vóór zijn goal. Ik heb hem nog een iets dergelijks zien doen in een oefenwedstrijd van Ajax tegen Zandvoort Meeuwen. Hij was toen zeventien en we wisten met zijn allen, die stonden te kijken, toen al dat hij een hele grote worden ging.

Omdat de kwaliteit van het team spel meestal de doorslag geeft is de trainer op den duur bepalend voor de kwaliteit van de club. Die zorgt voor het team spel. Niet de voorzitter of de technisch directeur, maar die zijn wel weer verantwoordelijk voor het uitzoeken van de trainer. Je kunt het zien als een club goed blijft, ook als jaren achtereen goede spelers worden verkocht. Frank de Boer is zo’n trainer. Herenveen had denk ik jarenlang de beste combinatie van trainer en voorzitter  van Nederland. Maar ook die oude voorzitter van Roda, Hendriks, had er kijk op. Die heeft drie keer achter elkaar een van de beste trainers van Nederland weten te selecteren, toen ze dat in de ogen van veel anderen nog niet bewezen hadden.

Het trainen van een topclub heeft zo zijn eigen problemen. Die jongens laten zich niets meer vertellen, die weten het allemaal zelf wel. Bovendien moeten ze op hun eigen marktwaarde letten. Die kunnen zich niet altijd meer ondergeschikt maken aan het teambelang. Ze spelen onder zware druk en niet iedereen kan daar tegen. Dat geeft problemen bij de samenwerking en als in de samenwerking binnen het team eenmaal de klad zit, krijg je die er niet zo makkelijk uit.

Buitenlandse spelers, niet zozeer allochtonen, dus maar echte buitenlanders, die de taal niet spreken, vormen een probleem. Vooral in moeilijke situaties geeft dat moeilijkheden. Ze zijn dan niet te coachen. Ze menen ook altijd dat ze gediscrimineerd worden als ze op hun sodemieter krijgen. Ik vind dat buitenlanders  erg goed moeten zijn en voldoende preiswert om ze in je team te halen. Ook als ze dat zijn, moet je er eigenlijk nooit meer dan twee of drie van hebben. Stuur ze ook meteen op een spoedcursus Nederlands, zodat er op de training snel weer alleen Nederlands kan worden gesproken. Scandinaviërs zijn daar goed in, maar Frans en Spaans sprekenden meestal niet.

Vindt U trouwens ook dat we een competitie zouden moeten hebben van de Noordelijke Europese landen? Dat zou voor de beste Nederlandse en Scandinavische clubs een enorme vooruitgang zijn, want je moet continu tegen goeie tegenstanders spelen om zelf beter te kunnen worden.

Conditietraining is belangrijk. Het gebeurt te vaak dat in de laatste tien minuten een wedstrijd wordt beslist en helemaal in de verlengingen, alleen omdat een van de twee teams er doorzit.

De spelers moeten genoeg lucht hebben voor anderhalve wedstrijd. Dat is dan in de praktijk net genoeg voor een, voor als het wat ruig toegaat.. Ook dat is iets waar de trainer voor moet zorgen.

Verdedigen zei van Gaal vroeger, dat kan iedereen leren. Dat zal wel, hij heeft ook wel bewezen dat hij het sommigen individuen leren kan. Maar waarom wordt er dan zo slecht verdedigd in Nederland? Ik zal U vertellen waarom, dat is om een aantal redenen.

Verdedigen vraagt individueel spelinzicht en dat hebben we hier veel minder dan techniek. Spelinzicht valt ook niet echt te leren trouwens.  Verdedigen vraagt discipline. Je moet voor de hand liggende dingen steeds op dezelfde manier doen. Aan de goede kant dekken van de tegenstander. Niet te veel ruimte laten. Rugdekking geven als de tegenstander aan de bal is en hij vóór jou iemand probeert uit te spelen. Elkaar coachen en altijd  in contact blijven. Verdedigers zijn in Nederland haast altijd gemankeerde aanvallers die zichzelf te goed vinden voor dat werk. Ze letten meer op een kans om op te komen dan op hun positie of op de tegenspeler voor wie ze verantwoordelijk zijn. Tenslotte spelen we in Nederland te aanvallend om goed te kunnen verdedigen. Dat vraagt steeds omschakelen en dat is het moeilijkste wat er is in voetbal.

Automatismen zijn belangrijk. Weten wat je medespeler gaat doen en zelf ook op een voor medespelers voorspelbare manier reageren. Als je geen tijd hebt om na te denken – en dat is meestal zo als er snel en goed gespeeld wordt – dan moeten reacties ingeslepen zijn, anders gaat het fout. Een team is pas een team als de meeste handelingen op elkaar zijn afgestemd en volgens een vast patroon verlopen. Dat wil niet zeggen dat het precies hetzelfde gaat elke keer, maar dat het dezelfde soort bewegingen zijn die daardoor berekenbaar worden voor je medespelers.

Een paar echt goede spelers in een team dat is wel lekker, vooral als die niet te veel kapsones hebben.  Een goede speler kan een bal vast houden en bindt altijd meer spelers van de tegenpartij. Dat geeft zijn medespelers extra kansen. Bovendien kan een extra goede speler dingen die een ander niet kan. Plotseling een andere draai geven aan het spel bijvoorbeeld. Drie spelers tegelijk van de tegenpartij de verkeerde kant op sturen en jou opeens vrij voor de keeper zetten. Het is bovendien uiteindelijk waarom het publiek komt kijken. Zulke spelers hebben een meerwaarde, maar ze zijn er niet zo veel. Cruijff hadden we het al over, maar op zijn eigen niveau was ook Van de Luer van Roda vroeger zo’n voetballer. Piet Keizer was het ook, maar die heeft door de komst van Cruijff nooit helemaal de eer gekregen die hem toekwam.

Een goede keeper scheelt een stuk. Van de Sar was goed en werd beter naarmate hij ouder werd. Hij was veel beter dan Grim. Grim was een liability voor Ajax en het erge was dat zij dat niet op tijd in de gaten hadden. Op de lijn was hij goed en dat oogt lekker, maar als organisator van de verdediging was het een ramp. Hij had geen overzicht en geen rust in zijn spel. Die Zuid Afrikaan van Heerenveen die later naar Ajax kwam was wel weer goed. Technisch en als lijnkeeper misschien wat minder dan anderen in de Eredivisie, maar hij bracht rust in het elftal. Hij coachte goed en had spelinzicht.

Het heeft Ajax voor de komst van Frank den  Boer een tijdlang aan voetbalintelligentie en aan teamorganisatie ontbroken. Er is daar, denk ik, een tijd lang te eenzijdig geselecteerd op balvaardigheid in de jeugdteams. In elk geval leek het aankoopbeleid een tijdlang nergens naar. Het is een amateuristische fout om spelers te kopen alleen omdat ze in een ander team goed functioneren. Het aankoopbeleid moet niet door het bestuur bepaald worden, maar door de trainer, in overleg met een deskundige directeur. Degene die verantwoordelijk is voor het team hoort een budget te krijgen. De voorzitter en de technisch directeur hebben dan inspraak, maar meer dan dat hoort het niet te zijn. Anders moet de trainer opstappen, vind ik. Een speler moet passen in het systeem en bij de andere spelers om hem heen. Dat is iets wat alleen de trainer goed bekijken kan, want alleen hij weet wat hij met ze wil.

Doping is een kwestie van definitie, dat zal wel, maar geloof me, volgens elke definitie van doping wordt er in de voetballerij geslikt en al zolang als ik me kan herinneren en dat is lang. Spierversterkende middelen, vooral veel hormonen. Je moet maar eens opletten hoe snel spelers met potloodbeentjes spierbundels op hun dijen hebben als ze prof worden. Voetballers, wielrenners, schaatsers, alle sporten waar geld mee verdiend wordt en veel van het lichaam wordt gevraagd, gebruiken doping.

In Italië is het begonnen, maar toen we goed en professioneel begonnen te voetballen in Nederland gebeurde het hier ook. Vroeger kon je na een zware wedstrijd het schuim op de bekken zien staan en dan werd er geschopt naar alles wat bewoog. Dat is tegenwoordig wel anders, het gebeurt deskundiger en gerichter. Ze zijn er wel achter dat doping ook negatief kan werken. Sommige spelers werden vroeger volledig mataglap. Vandaar misschien dat je dan wel hoorde dat er bij voetballers niet werd geslikt, omdat het bij hen niet werken zou. Flauwekul natuurlijk. De meeste voetballers moeten het hebben van hun atletisch vermogen en wat werkt voor atleten werkt ook voor voetballers.

Liegen kan een voetballer even goed als een wielrenner. De mensen zijn kort van memorie en er wordt eigenlijk nooit op teruggekomen als het liegen wel eens uitkomt. De media zijn belangrijk, dat weet men. Interviews en gesprekken weigeren, dat mag niet van de leiding, dat is niet professioneel. Maar ze sprookjes vertellen, dat kan. Ik geloof niet dat iemand er mee zit, ook de media zelf niet, waar het natuurlijk ook wel eens opvalt. Misschien is het wel niet tot de sportwereld beperkt  en liegt alles wat met de publiciteit in aanraking komt.

De voetbalverslaggeving is in Nederland behoorlijk onder de maat. Er is geen krant waar je ooit een goede analyse van een wedstrijd leest, behalve misschien wel eens in het AD. Ik zal wel niet de enige zijn die als er een belangrijke internationale wedstrijd is de BBC opzet of de Belg.

Zo moeilijk moet het toch niet zijn, die voetbalverslaggeving, zou je denken. Je neemt iemand die van die sport zijn vak gemaakt heeft, er aardigheid in heeft en goed kan praten. Het type Jean Nelissen voor wielrennen of Mart Smeets voor basketbal. Je had een norse verslaggever bij de Volkskrant vroeger, Ben de Graaf, die daar biljarten deed. Die mensen doen het allemaal prima zolang ze praten over sporten waar ze verstand van hebben en waar ze lol in hebben.

In Nederland wordt de voetbalverslaggeverij al generaties lang gemonopoliseerd door mensen die er weinig van weten en er dus ook niets interessants over kunnen vertellen. Dat Van Gaal daar niets mee te maken wil hebben, siert hem, maar hij is een van de weinigen die zich zo’n houding kan permitteren. Pas als zich een nieuwe omroep met voetballen gaat bezig houden zie je hier wel eens nieuwe gezichten.

In voetbal draait alles om geld. Dat is begrijpelijk als het om de eerste paar miljoen gaat. Voetballers weten niet of ze goed genoeg zijn om hun geld te kunnen verdienen als trainer. Ze gaan er dus vanuit dat hun oude dag begint met vijf en dertig. Maar meer dan tien miljoen euro in tegenwoordig geld heeft toch eigenlijk niemand nodig als appel voor de dorst. Voor de rest kijkt een verstandig mens waar hij het lekkerste voetbalt. Dat kan in Barcelona zijn, wat inderdaad een fantastische stad is, maar meestal is dat toch in je eigen land. Als je niet absoluut top bent en eigenlijk alleen maar goed functioneert in een goed team onder een goede trainer valt het je vaak tegen in het buitenland. Voor je het weet zit je op de bank en wat heb je dan aan die talloos veel miljoenen. Geloof maar dat het geld er ook snel door gaat in dat wereldje.

Het meeste geld in het voetbal komt niet uit de entrees of de jaarabonnementen, hoewel dat er tegenwoordig ook behoorlijk inhakt. Het meeste geld komt van de televisie, van sponsoring en reclame. Daar is de formule vrij simpel. De club is een bepaald basisbedrag waard, te vermenigvuldigen met het aantal mensen dat tot de doelgroep hoort van degene die betaalt. In gebieden waar de TV een groot bereik heeft, wat meestal ook grote taalgebieden zijn, is die vermenigvuldigfactor groter dan gebieden als Nederland. Concurreren tegen Duitsland, Spanje of Italië gaat dus niet en tegen Engeland al helemaal niet.

Het hebben van een behoorlijk grote onderwereld met veel zwart geld wil ook wel helpen. Voetbal is een activiteit waaraan de criminaliteit het schijnt te willen uitgeven. Wat dat betreft is de opkomst van Rusland als voetbalnatie te voorspellen.

Waarom sommige landen zo goed zijn en andere niet is verder vaak lastig te verklaren. Het heeft niet altijd met de individuele kwaliteiten van de spelers te maken en ook niet altijd met de hoeveelheid geld die er tegenaan wordt gegooid. Een goede infrastructuur is belangrijk. Opleiding van trainers en jeugdspelers. Zo is Holland omhoog gekomen, al heeft ook de komst van de Surinamers en later van de Marokkanen geholpen. Maar neem Brazilië, dat relatief weinig goede trainers heeft en eigenlijk nauwelijks infrastructuur. Daar is het de aanleg  van de spelers en ook wel het enorme enthousiasme van het publiek, dat de doorslag geeft. Dit jaar dan niet, jammer genoeg, maar dat komt wel weer. Volgende keer worden ze wel weer wereldkampioen.

De landen van de Maghreb barsten van de spelers met aanleg. Ze hebben Frankrijk ooit wereldkampioen gemaakt en ze hadden dat met wat geluk dit jaar met Algerije kunnen doen, met allemaal spelers die in Frankrijk geboren zijn. In de Nederlandse competities zijn ze ook in verhouding tot hun aandeel in de bevolking oververtegenwoordigd.

Toch blijven Marokko, Algerije en Tunis als regel middenmoters als voetballanden. Er is praktisch geen land waar zoveel geld voor voetbal beschikbaar is als in Saoedie Arabië en in de andere olie staten. Het helpt allemaal niet. De Arabische landen zijn wel goed in individuele sporten die niet veel organisatie vragen, zoals hardlopen en tennis, maar met de teamsporten wordt het daar nooit iets.

Ik was jaren geleden een keer met een vrachtboot in Annaba, een kleine haven in het Oosten van Algerije. Hippo heet het daar vroeger, toen de Romeinen er zaten en in de Franse tijd heette de plaats Bône. De Heilige Augustinus komt er vandaan.

We moesten kunstmest laden voor Frankrijk en het duurde drie dagen voor de lading erin zat. De zakken werden met vrachtauto’s aangevoerd en met kranen ingeladen. Het waren niet de allernieuwste spullen, nog uit de Franse tijd zo te zien, maar het werkte allemaal wel. Dertig man stonden iedere ochtend om zes uur klaar en ze werkten min of meer de hele dag. Vaak moest gewacht worden op de terugkomst van de auto’s en dan gebeurde er een tijdje niets. Het heeft ook een halve dag stil gelegen omdat er iets niet in orde was met de papieren van het schip, dat pas na veel bier en sigaretten kon worden opgelost. We konden nog net op tijd weg voor het weekend, wat weer een hoop havengeld scheelde en zijn op ons gemak naar de overkant gevaren, naar Sète.

Sète is ook geen wereldhaven, maar al die kunstmest, die in Annaba drie dagen kostte om te laden, was er in Frankrijk in een halve dag uit en keurig opgeborgen in een pakhuis. Dat werk werd gedaan door vier man, zo te zien ook Algerijnen, met apparatuur die in principe niet zo veel anders was dan in Annaba. Dat is nu de reden waarom ze in Frankrijk rijker zijn dan in Algerije en waarom ze er ook beter kunnen voetballen, met precies die zelfde Algerijnen.

Over voetbal raak je niet uitgepraat. Er zijn mensen, ook mensen die zelf nooit gevoetbald hebben, bij wie het leven om voetbal draait. Bij mij niet. Ik ga nooit meer naar het stadion, wel nog eens naar een amateur wedstrijd, maar ook niet vaak. De sfeer bevalt me niet, te agressief en het slaat ook over op je zelf. Ik wil dat niet. Maar een belangrijke wedstrijd voor de televisie daar kijk ik nog wel eens naar en een mooie kijksport blijft het, dat is zeker.

Over akasdorp

gepensioneerd advocaat
Dit bericht werd geplaatst in Hobby's, Nederland. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.